![]() |
|
Aquafarm-PuttenNatuurvriendelijke palingkwekerij |
|
Classificatie
en namen Beschrijving Beschrijving
van palingen in zoetwater Verspreiding Migratie: na enige jaren worden palingen zilverpalingen of schieraal als hun rug zwart en hun onderzijde zilverkleurig worden. De ogen worden groter en hun kop breder en puntiger. Daarna beginnen zij terug te zwemmen naar de Saragasso Zee, waar zij kuitschieten op 400-700 m diepte. Habitat Voedsel Gedrag
en voortplanting overbevissing inpolderingen afsluiting van rivieren Bescherming De
toestand van de Europese aalstand en –visserij. door:Willem Dekker, Nederlands Instituut voor Visserij Onderzoek, Postbus 68, 1970 AB IJmuiden De achteruitgang van de aal krijgt recentelijk meer en meer aandacht, in ons land, maar ook internationaal. Sinds 1998 dringt het wetenschappelijk advies erop aan een internationaal herstelplan op te stellen. Omdat daar nog weinig schot in zit, heeft op 15 april 2002 onze Staatssecretaris aan de Tweede Kamer geschreven niet te willen wachten, maar nationaal alvast een begin te willen maken met een herstelplan. In dat kader wil ik proberen hier de relevante informatie overzichtelijk samen te vatten. In dit artikel beschrijf ik de feitelijk bestaande toestand en de voorafgaande ontwikkelingen; in een tweede artikel zal ik ingaan op de oorzaken van de achteruitgang, de gevolgen en mogelijke remedies. De
Europese aal (Anguilla anguilla (L.) staat model voor alle aal - soorten.
Het geslacht van de rivier -alen is door Linnaeus
beschreven aan de hand van deze ene soort. Het grootste deel van onze
wetenschappelijke kennis over alen is
gebaseerd op onderzoek van deze aal. Dat onderzoek begon al bij Aristoteles (ca.
400 v. Chr.), die het eerste
wetenschappelijke experiment met vis uitvoerde. Hij beschrijft hoe een zoetwater
-poel werd leeggeschraapt. Nadat de regen
de poel weer had gevuld, bleken er opnieuw alen in de poel aanwezig te zijn.
Aristoteles leidde daaruit af, dat aal uit de
modder in de bodem spontaan kan ontstaan, zonder dat er vooraf aal aanwezig
is. Dit beeld van spontane generatie wordt nu niet meer geloofd. De werkelijke
voortplanting van aal is pas veel later
uitgezocht (het eerste voor de Europese aal) door de Deen Johannes Schmidt: het
wel bekende verhaal van de voortplanting
in de Sargasso-zee. Overigens moeten we daarbij niet uit het oog verliezen, dat
het tot op de dag van vandaag niet echt
gelukt is de paaiende alen te vinden en dat ook kunstmatige voortplanting in
het laboratorium niet succesvol is. In de
Sargassozee vinden we echter de kleinste larfjes en daarom nemen we aan
dat de plaats van de voortplanting daar dichtbij is. Maar de Sargassozee is een
zee -gebied, dat in feite groter is dan
geheel Europa; de plaatsbepaling is dus nog niet zo erg exact! In
veel opzichten zijn de inzichten van Schmidt in de biologie van de Europese aal
uitgegroeid tot ware mythes, bij het brede
publiek, maar ook bij serieuze wetenschappers. Hoe het ook zij, het is duidelijk
dat de Europese aal een vooraanstaande
positie inneemt. De Europese aal komt voor
in een groot gebied, dat geheel Europa, noordelijk Afrika en de aan de
Middellandse zee gelegen delen van Azië
omvat. Typische aalvisserijen worden echter gekenmerkt door een kleinschalige
opzet, met slechts enkele vissers, op een klein
wateroppervlak (gemiddeld ca. 8 km2).
Het beheer van de aalvisserij heeft tot op
heden uitsluitend plaatsgevonden op plaatselijk of regionaal niveau. Deze
versnipperde aanpak staat in schril
kontrast met de neergang in de aalstand, die in de afgelopen decennia overal in
het verspreidingsgebied is opgetreden.
Bovendien is de handel in aal de afgelopen jaren uitgegroeid naar een wereldschaal:
wereldwijde transporten van levende aal of kant –en -klare eind -producten
zijn tegenwoordig aan de orde van de dag.
Dat betekent dat onze aal niet langer alleen de kleine, plaatselijk visserij
betreft, maar globale betekenis heeft.
Vergelijking van de verschillende aalsoorten op
de wereld toont, dat de visserij op de Europese aal de grootste
van de wereld is. De kweek van aal betreft bovenal de Japanse aal. De
Amerikaanse en Australische/Nieuw-Zeelandse
visserij en kweek hebben een veel kleinere omvang. Omdat de Europese aal ook
het grootste verspreidingsgebied heeft, is het
waarschijnlijk dat het Europese bestand het grootste wild bestand van
de wereld is. In dit artikel zal het woord
aal meestal betrekking hebben op de Europese aal. Waar verwarring
mogelijk is, zal ik duidelijk Europese
aal gebruiken, maar in dat geval wordt niet bedoeld de discussie tot Europa
te beperken; de bestanden in Noord Afrika
zijn daar te belangrijk voor. In mijn ogen is de benaming Europese aal een
misleidende aanduiding, net zoals rivier -aal of zoetwater -aal.
Achtereenvolgens zal ik de glasaal -visserij, de
glasaal -uitzet, de rode en schieraalvisserij en de aquacultuur bespreken. Ik
richt me daarbij vooral op de toestand van het bestand en de visserij in
geheel Europa en noordelijk Afrika. De
Nederlandse visserij en aquacultuur maken daar integraal deel van uit en nemen
geen uitzonderlijke positie in. De
Nederlandse visserij vist op het Nederlandse aalbestand, maar maakt gebruik van
buitenlandse glasaal voor uitzet; de Nederlandse
aquacultuur kweekt buitenlandse glasaal en is daarmee feitelijk consument
van de buitenlandse (Franse en Engelse) glasaalvisserij. Wellicht ten overvloede
wil ik met grote nadruk erop wijzen, dat
de kunstmatige voortplanting van aal niet succesvol uitgevoerd kan worden en de
aquacultuur daarom gewoon het natuurlijke
aalbestand exploiteert, precies zoals de visserij, de hengelsport, de aalscholver
en de uitgezette otter. De
aal is een zeer uitzonderlijke vis. De voortplanting vindt ver van Europa, op de
oceaan plaats, op een nog steeds onbekende
locatie. De Leptocephalus-larven in de oceaan lijken in het geheel niet op alen,
maar hebben de vorm van een wilgenblaadje
. Nabij het Europese continent vormt deze zich om in een jonge, doorzichtige
aal: de glasaal, met een lengte van 7 cm. Deze verspreidt zich over Europa, waar
ze in kust - en binnenwateren opgroeien.
Waarom deze geel/bruine dieren als rode aal worden aangeduid is mij niet
duidelijk. In het engels staan ze bekend
als yellow eel. Eenmaal in de kust - en
binnenwateren aangekomen, eten de aaltjes allerlei levende prooien, zoals
wormen, watervlooien, kreeftjes, insecten
etc. Vanaf een lengte van 25 cm wordt tevens vis gegeten. Dat ook kadavers
gegeten zouden worden, is slechts een fabel.
Aal groeit bijzonder langzaam: bij ons
marktwaardige aal van ca. 30 cm is 8 à 10 jaar oud. De langzame groei hangt
samen met de lage temperaturen in onze buitenwateren. In zuidelijke streken en
in kwekerijen kan een groei van 20 cm per
jaar of meer worden bereikt, maar in uitzonderlijke gevallen kan zo’n snelle
groei ook in koude buitenwateren wel eens
optreden. Na de extreem koude winter van 1963, bijvoorbeeld, is dat in een
aantal polders waargenomen. Bij een lengte
van 35 tot 45 cm (mannetjes) resp. boven de 45 cm (vrouwtjes) verandert de
aal van uiterlijk (aangeduid als schieraal, vanwege de witte= chiere buik) en
trekt terug naar zee, om daar aan de
voortplanting te gaan deelnemen. Bij deze trek wordt zonodig een korte tocht
over land niet gemeden. Fysiologisch
gezien is de schieraal nog ver verwijderd van een werkelijk geslachtsrijp
stadium. Een werkelijk geslachtsrijpe aal
ziet er bepaald anders uit: een zeer dikke buik, heel grote ogen en vrijwel
zwarte vinnen en neus. Schieraal wordt in
sommige delen van Nederland ook wel paling genoemd, maar meestal zijn de woorden
aal en paling synoniem. Na
de metamorfose aan het eind van het Leptocephalus -larve -stadium, trekt de
jonge glasaal naar de estuaria van de
rivieren langs de Atlantische kusten, in de winter (zuid -westelijke streken) en
het voorjaar (oostelijke Middellandse Zee,
westelijke en noordwestelijke gebieden). In Engeland (rond Bristol), Frankrijk,
Spanje, Portugal, Italië en Marokko wordt
de glasaal commercieel bevist. Verder
naar het noorden wordt de vangst van
glasaal alleen gebruikt voor de uitzet in nabijgelegen buitenwater. De
glasaal -visserij vindt plaats in estuaria, in rivier -mondingen of voor dammen
en barrières. In al deze gevallen is er
sprake van een (meestal natuurlijke) concentratie van de glasaal, in tijd en
ruimte. De migratie vanuit zee naar binnen
maakt gebruik van een mechanisme, bekend als het selectief getijden transport.
Hierbij maakt de glasaal gebruik van de
natuurlijke waterbeweging naar binnen tijdens de vloed, terwijl ze zich tijdens
de eb schuil houden in of vlakbij de
bodem. Dit transport -mechanisme vraagt weinig energie van de glasaal en wordt
daardoor nauwelijks gehinderd door lage
watertemperaturen. Om verder de rivier op te komen, moet de glasaal actief
gaan zwemmen. Actief zwemmen vraagt een minimale temperatuur van 10-12ºC. In de
winter, als het rivierwater nog koud is,
kan de glasaal makkelijk het estuarium inkomen met het getij, maar moeilijk
doorzwemmen de rivier op. Dientengevolge ontstaat
er dan een grote concentratie glasaal in het estuarium. Deze concentratie
is meestal te vinden aan de bovenstroomse kant van een estuarium, waar de
vloedstroom tot stilstand komt tegen de
uitstromende rivier in. Of, in de meeste Nederlandse gevallen, op de plaats waar
de vloedstroom door een sluis of dam wordt
tegengehouden, zoals voor de sluisdeuren van Den Oever. Glasaal
-visserijen gebruiken zowel in de hand vastgehouden schepnetten als vanaf een
schip bediende netten. Het net wordt
stilgehouden in een binnenkomende waterstroom, of wordt actief door het water
bewogen. Velerlei verschillende netten
zijn in gebruik, zowel met de hand als vanaf een schip: sleepnetten,
ankerkuilen, fuiken, schepnetten, etc.
De commerciële glasaal -visserijen vinden plaats
in het zuidwesten van Europa, noordelijk tot in Engeland (Bristol
Channel) en langs de Mediterrane kusten van Spanje en Italië. Langs de meer
noordelijke Atlantische kusten wordt
glasaal alleen gevangen voor uitzet in binnenwateren; hierbij wordt meestal
gebruik gemaakt van vast opgestelde
vallen, waarbij een uitstromende lokstroom de glasaal aantrekt. De glasaal
-visserij in België (de IJzer) en in
Nederland (Afsluitdijk) maken gebruik van respectievelijk een hand -schepnet en
een kruisnet. De grootste glasaal
-visserijen worden gevonden in de grotere rivieren (Loire, Seine en Gironde in
Frankrijk; Nalon en Minho in Spanje; Severn in
Engeland; etc.), maar daarnaast worden ook de meeste kleinere riviertjes
meestal wel bevist. Officiële gegevens over de kleinere visserijen worden soms
wel en soms niet gevoegd bij de informatie
van de grotere; soms wordt de glasaal van de kleine naar de grote rivier
gebracht en daar verhandeld, soms kunnen
de vissers kiezen waar ze vissen, soms worden alleen de aanvoer -statistieken
achteraf bij elkaar opgeteld. Maar in de meeste
gevallen weten we gewoon niet echt wat er gebeurt.De totale vangst van de
glasaal -visserij in de jaren 1990 wordt geschat op 583 ton, maar dit getal
vormt zeker een onderschatting van de
werkelijk gevangen hoeveelheid. Vangsten worden dikwijls in kleine
vissersplaatsen al verwerkt, zijn illegaal
of worden niet gedocumenteerd. In Baskenland, in Noord Spanje, werd rond 1960
een vangst van 275 ton glasaal gemeld,
maar tegenwoordig hebben we geen enkele opgave meer beschikbaar. In de jaren
1980 is al eens eerder geprobeerd de totale vangst te berekenen (857 ton), op
basis van schattingen door deskundigen.
Het is wel zeker dat toen een groot deel van de vangst gemist is, waaronder
geheel Spanje. De lagere vangst -cijfers
in de jaren 1990 komen in ieder geval overeen met de daling in onafhankelijke,
betrouwbare cijfers over de hoeveelheid glasaal .
De internationale statistieken van de aal
-vangsten maken geen onderscheid tussen glasaal enerzijds en rode en schier
-aal anderzijds. Omdat rode en schieraal zoveel zwaarder zijn dan glasaal,
zeggen deze cijfers dus eigenlijk niets
over de glasaal vangsten en het gebruik van die vangst. Op basis van de beperkte
beschikbare statistieken en met
aanvullingen uit gesprekken met vissers en handelaren ter plaatse, kan het
volgende beeld voor het eind van de jaren
1990 worden opgebouwd. Het grootste deel van de glasaal wordt gebruikt voor
aalkweek in Azië; ca. 20 % van de glasaal
wordt als glasaal geconsumeerd, merendeels in Spanje; ca. 20 % wordt gevangen en
elders (binnen en buiten het land van vangst)
uitgezet in buitenwateren en ca. 15 % van de glasaal kan vrijelijk de
rivieren opzwemmen. In vele landen in west
Europa vindt een wetenschappelijke monitoring van de glasaal -intrek plaats. Dit
betreft statistieken van commerciële
vangsten, import –export -statistieken, wetenschappelijke bemonsteringen,
vangststations voor poot aal, etc. Het gaat
hierbij zowel om gegevens van de glasaal -visserij, als visserij onafhankelijke
gegevens. In deze gegevens is een opmerkelijke, gemeenschappelijke ontwikkeling
zichtbaar: een daling sinds 1980, tot op
een niveau van ca. 10 % ten opzichte van de periode daarvoor. Deze daling treed
op in commerciële en niet-commerciële
gegevens, in noord - en zuid -Europa, etc. Slechts de poot aal in Scandinavië
en de glasaal van de Britse Eilanden laten een
ietwat afwijkend beeld zien, met een eerdere resp. mindere daling. Sommigen
van de glasaal -reeksen lopen al langer dan 60 jaar (Frankrijk, Nederland,
Duitsland en Zweden). Met name de kruisnet
-bemonstering in Den Oever vormt een van de allerlangste en de meest betrouwbare
series. Vanaf ca. 1950 kunnen duidelijke
trends worden vastgesteld . Direct na de Tweede Wereldoorlog was er
een arme periode van een aantal jaren, gevolgd door een zeer rijke periode in de
jaren 1950, 1960 en 1970. Maar vanaf 1980
trad een gedurige daling op, die tenminste tot 1990 doorzette. Gedurende de
jaren 1990 was er sprake van een redelijk
stabiel, maar laag niveau. In 2001 trad echter een zeer scherpe verdere daling
op, tot op nog maar 1 % van het
oorspronkelijke niveau. In 2002 is in Den Oever de situatie niet verder
verslechterd, maar van werkelijk herstel
is helaas ook geen sprake). Evenals in de voorafgaande 64 jaar, heeft in 2002 in Den Oever weer een bemonstering van de intrekkende glasaal plaatsgevonden. Deze bemonstering is kortgeleden afgesloten, zodat nu bekend is hoe de intrek in Den Oever afgelopen voorjaar verlopen is. In de eerste helft van het seizoen leek er sprake van aanzienlijk meer glasaal dan afgelopen jaar. Maar die pret was maar van korte duur: vanaf half april lagen de aantallen juist lager dan vorig jaar en tot het einde van het seizoen is er geen verbetering meer gekomen. Het lijkt waarschijnlijk dat de weersverandering half april heeft bijgedragen aan de omslag, maar al met al moeten we constateren dat de vangsten gemiddeld maar een klein beetje boven die van 2001 zijn uitgestegen en daarmee een voortzetting vormen van het historische dieptepunt van afgelopen jaar. In getal: van 1.65 stuks in 2000, naar 0.54 in 2001 en nu 1.09 glasalen per trek, dat is 4.8 %, respectievelijk 1.6 % en nu 3.2 % van het gemiddelde van de jaren 1960-1980 (dat was ruim 40 glasalen per trek). Uit het buitenland zijn nog geen definitieve gegevens voorhanden. Uit diverse kontakten komt het beeld naar voren, dat ook daar 2002 een bar slecht seizoen is geweest, dat maar heel weinig uitkwam boven het historisch minimum van 2001. Natuurlijke
aal -populaties concentreren zich meestal in estuaria en de benedenloop van
rivieren. Bovenstrooms zijn alen
aangetroffen tot op meer dan 1000 km van de monding, maar de gemiddelde
verplaatsing rivier opwaarts is meestal
niet sneller dan ca. 20 km per jaar. Een door de mens uitgevoerd transport van
glasaal en poot aal van beneden naar boven in de rivier heeft dikwijls een
aantoonbaar positief effect op de visserijopbrengst, net als transporten van het
centrum van de verspreiding (Frankrijk en Spanje) naar de randen (Nederland,
Duitsland, Scandinavië, Midden -Europa). Kennelijk
is de dichtheid van de natuurlijke stand in grote delen van het
verspreidingsgebied ver beneden de capaciteit
van het ecosysteem, terwijl het bestand in Frankrijk en Spanje wel een
glasaaltje of twee kan missen. In 1908 is
in Epney, op de oever van de Severn in Engeland, door de Duitsers een glasaal
-station opgezet, waarvandaan levende
glasaal naar Hamburg getransporteerd werd. In de periode voor de Tweede
Wereldoorlog betrof dit ca 1.3 ton per jaar. Na de Oorlog nam het transport van
glasaal vanuit Zuid -Europa naar Centraal en Noord -Europa een grote vlucht.
Uitzet van Franse en Engelse glasaal werd een van de standaard
beheersmaatregelen in Noord en Oost
-Europa. Vanaf 1980 werd de glasaal echter zo schrikbarend duur, dat uitzet niet
langer betaalbaar was. De meest recente schatting voor geheel Europa (begin
jaren 1990) noemt nog 33 ton, maar sindsdien is de hoeveelheid nog aanmerkelijk
gedaald. De uitzet van glasaal in
afgesloten wateren heeft een aantoonbaar positief effect op de opbrengst een
paar jaar later. Dit is ondermeer gebleken
in vijverproeven, maar ook in evaluatie van grootschalige uitzetprogramma’s
in Polen. De omvangrijke uitzet in geheel Europa
is de meest waarschijnlijke verklaring voor de toename
van de vangsten in de jaren 1960, met name in de noordelijke helft van Europa.
Of uitgezette glasaal wel leidt tot de
productie van volwaardige schieralen is echter nog maar de vraag. Merk -proeven
in de Oostzee van schieraal afkomstig van
Franse glasaal toonden, dat deze schieraal de uitweg uit de Oostzee veel
slechter kon vinden dan de natuurlijk
ingetrokken glasaal. Het is daarom waarschijnlijk veiliger aan te nemen dat
uitgezette glasaal niet bijdraagt aan het behoud
van de paaistand. De
visserij op rode en schieraal komt voor in het gehele verspreidingsgebied van de
aal. In midden en Noord -Europa vormt dit
de belangrijkste visserij. In termen van gewicht is de glasaal -visserij in
zuidelijke landen weliswaar
verwaarloosbaar, maar in termen van aantallen overtreffen ze de rode aal
-visserij ruimschoots (ca. 30 maal).
Schieraal -visserijen zijn al bekend uit de steentijd, toen met vast opgestelde
visweren gevist werd. Exclusief op
schieraal gerichte visserijen komen nu eigenlijk alleen nog maar in Scandinavië
voor, waar in de kustwateren met zeer
grote fuiken gevist wordt. Waarschijnlijk is de focus op de schieraal een manier
om de lage aalstand in Noord -Europa (25
alen per km2 landoppervlak)
nog te kunnen exploiteren. Gedurende de schieraaltrek concentreert
de in de binnenwateren geproduceerde aal zich in tijd (najaar) en ruimte
(riviermondingen), waardoor een
profijtelijke visserij in zeer dunbevolkte gebieden mogelijk wordt. In midden
Europa, bij een gemiddelde dichtheid van
de aalstand (400 stuks per km2 landoppervlak)
richt de visserij zich grotendeels op de rode
aal, met een bijvangst van schieraal. Ter vergelijking: in typische glasaal
-gebieden bedraagt de dichtheid van het
bestand ca. 1500 glasalen per km2 landoppervlak.
De visserij op rode en schieraal maakt gebruik
van een heel scala aan vistuigen, zoals netten en fuiken, speren, potten
en tuben, haken etc. en wordt uitgeoefend in kustgebieden, in lagunes, in
rivieren, meren, beken en alle mogelijke
kleinere wateren. Gegevens over de omvang
van de totale aalvisserij zijn berucht om het feit dat ze zo incompleet zijn.
Vergelijking van de officiële cijfers met de
best beschikbare schattingen heeft aangetoond dat de officiële cijfers voor
vele landen maar ongeveer de helft van de werkelijke vangsten omvatten. Dat is
ook (zeker) voor Nederland het geval. De
meest recentelijk door Nederland gerapporteerde cijfers maken zelfs geen
onderscheid meer tussen aalvisserij en
aalkweek en zijn daarmee helaas volstrekt onbruikbaar geworden. Op
basis van de beschikbare (officiële en onofficiële) cijfers kan wel de
relatieve ontwikkeling in de vangsten gereconstrueerd
worden . Hieruit blijkt dat in de periode voor de Tweede Wereldoorlog de
vangsten varieerden rond een gemiddelde
van ca. 47 500 ton. Na een duidelijk dal gedurende de Oorlog, stegen de aanlandingen
geleidelijk tot 47 000 ton in 1964, waarna een zeer langzame maar gestage daling
inzette, tot op een historisch dieptepunt
van 22 000 ton in de afgelopen jaren (NB. Deze cijfers betreffen uitsluitend
gerapporteerde vangsten). De stijging van de
vangsten tussen 1945 en 1964 valt samen met de verwachte opbrengstverhoging
ten gevolge van de uitzet van glasaal sinds de Tweede Wereldoorlog. Bovendien
vond deze stijging met name plaats in
Noordelijke landen, waar de uitzet het meest omvangrijk plaatsvond. Dit maakt
het waarschijnlijk dat de hoge vangsten
het gevolg zijn van de uitzet van glasaal, d.w.z. zonder deze uitzet was er
misschien al veel langer een gestage daling te
zien geweest. Tegelijkertijd is het ook duidelijk, dat de uitzet van glasaal
steeds is toegenomen, tenminste tot 1980. De achteruitgang in de vangsten sinds
1965 vond dus plaats, ondanks dat er meer
en meer glasaal werd uitgezet, terwijl de natuurlijke intrek ook maximaal was.
De dalende vangsten in de jaren 1960, 1970
en 1980 zijn dus niet te wijten aan een tekort aan glasaal, maar moeten samenhangen
met een verandering in onze binnenwateren. De kweek van Europese aal is pas veel later van de grond gekomen dan de kweek van de Japanse aal . In 1970 bedroeg de Europese kweek ca. 3 400 ton, terwijl in Japan al 17 000 ton werd gekweekt. Rond 1970 hebben de Japanners een aantal jaren geprobeerd Europese aal te kweken, maar dat had toen weinig resultaat. In het midden van de jaren 1980 hebben ze het nogmaals geprobeerd, resulterend in een groei van 3 000 ton (1985) naar 10 000 ton nu. De kweek in Europa wordt momenteel geschat op ca. 10 000 ton. De Italiaanse aquacultuur heeft een lange geschiedenis, tenminste teruggaand tot de Romeinen. In de afgelopen eeuwen heeft de kweek zich geconcentreerd in de valli in Noord-Italië. In deze systemen worden natuurlijk ingetrokken glasalen opgekweektin natuurlijke lagunes, waarin de mens echter ingrijpt in de waterloop (zoet/brak /zout,koud/warm, zuustofrijk/-arm, etc.) en daardoor de productie tot ongekende hoogte kan opschroeven. Sinds de achteruitgang van de glasaal (1980) is echter ook in toenemende mate gebruik gemaakt van uitgezette glasaal, afkomstig van de Italiaanse west-kust. Daarnaast zijn er in Italië een aantal moderne aalkwekerijen ontstaan, vergelijkbaar met onze moderne bedrijven. De moderne, intensieve kweek van aal is geheel gebaseerd op hoog-technologische en vergaand geautomatiseerde bedrijfsvoering, waarin meestal gebruik gemaakt wordt van water-recirculatie. Aan het eind van de jaren 1980 zijn deze systemen in gebruik genomen in een hele reeks van landen in geheel Europa. Gedurende de jaren 1990 is de kweek in Denemarken en Nederland gestaag doorgegroeid, terwijl elders alweer sprake was van een afname. Denemarken en Nederland domineren nu de markt, terwijl de kweek in Italië omvangrijk is, maar licht afneemt. De kweekaal wordt merendeels afgezet binnen Europa. Uitzet van kweekaal in buitenwateren is tegenwoordig zeldzaam en draagt waarschijnlijk niet bij aan de voortplanting. De
aalvisserij komt in vrijwel geheel Europa en noordelijk Afrika verspreid voor.
De visserij op glasaal concentreert zich
in landen rond de Golf van Biskaje, terwijl de schieraalvisserij met name in
Scandinavië belangrijk is, met een
visserij op rode aal daartussen in. De kweek van aal maakt gebruik van in het
wild gevangen glasaal. De vangst van rode
aal en schieraal neemt sinds midden jaren 1960 gestaag af, tot een historisch
dieptepunt in de meest recente jaren. In de tweede helft van de afgelopen eeuw
hebben omvangrijke transporten van glasaal
plaatsgevonden, van zuid - naar noord -Europa, voor uitzet in binnenwateren.
Sinds 1980 is de natuurlijke intrek van
glasaal snel gedaald. Tegelijk is de vraag naar glasaal voor kweek in Europa en
Azië sterk gestegen. De toekomst van de Europese aalstand en –visserij. De achteruitgang van de aal krijgt recentelijk meer en meer aandacht, in ons land maar ook internationaal. Sinds 1998 dringt het wetenschappelijk advies erop aan een internationaal herstelplan op te stellen. Omdat daar nog weinig schot in zit, heeft op 15 april 2002 onze Staatssecretaris aan de Tweede Kamer geschreven niet te willen wachten, maar nationaal alvast een begin te willen maken met een eigen herstelplan. De aal (=paling, Anguilla anguilla (L.)) plant zich voort in de Atlantische Oceaan, op een ons onbekende plaats, vermoedelijk ergens in de Sargassozee. De jonge aal (glasaal) trekt in het voorjaar vanuit zee de rivieren binnen, om daar in 2-20 (mannetjes) resp. 5-50 (vrouwtjes) jaar op te groeien (dan aangeduid als rode aal) tot een bijna paai rijpe schieraal, die vervolgens (in het najaar) terugkeert naar zee. De aal komt voor in geheel Europa, in noordelijk Afrika en een klein deel van Azië. In het noorden vist men op rode aal en schieraal, in het zuiden ook op glasaal. Sinds 1980 is de hoeveelheid glasaal, die vanuit zee binnenkomt, drastisch gedaald , tot nu nog maar ca. 10 % van het niveau van de jaren 1960 en 1970. De laatste twee jaar is de intrek zelfs nog maar ca. 2 %! Aan deze daling lijkt dan ook nog geen eind gekomen. In de Britse Eilanden lijkt de daling wat minder sterk te zijn, en in Scandinavië is het misschien wat eerder begonnen. Vanaf 1965 is ook de opbrengst van de visserij gestaag gedaald, van ca. 50,000 naar rond de 20,000 ton. Deze daling heeft zich in heel Europa voorgedaan, maar is in Noord Europa wellicht deels gecompenseerd (en gemaskeerd) door omvangrijke uitzettingen van glasaal uit Zuid Europa. Deze uitzettingen zijn momenteel tot een minimale omvang gereduceerd. Sinds 1980 is er een omvangrijke kwekerij van aal op gang gekomen, waarbij in het wild gevangen glasaal in korte tijd (1-2 jaar) opgekweekt wordt. De omvang van deze aquacultuur evenaart de visserij. Ongeveer de helft hiervan vindt plaats in Oost Azië (Japan, China). In de laatste jaren begint de Europese kweek weer wat af te nemen. De Nederlandse kweek produceert ca. 4 maal zoveel als de Nederlandse visserij. De stand van de Europese aal gaat duidelijk achteruit. De intrek van glasaal is afgenomen sinds 1980, tot op 10 %, en recentelijk zelfs nog maar 2 % van het oorspronkelijke niveau. De vangst van rode en schieraal daalt al enkele decennia. Als oorzaak van deze achteruitgang zijn een aantal mogelijke verklaringen genoemd, waarvan de belangrijkste zijn: vervuiling, verlies van opgroeigebied als gevolg van dammen en stuwen, toegenomen predatie door aalscholvers, klimaatsverandering in de oceaan, overbevissing en door de mens geïntroduceerde ziektes en parasieten. Hieronder zal ingegaan worden op de ontwikkeling in de verschillende factoren, en de mogelijke overeenkomst of afwijking ten opzichte van de achteruitgang van de aal. Klimaat De
glasaal die in het voorjaar in onze rivieren naar binnen trekt, heeft al een
flinke wereldreis achter de rug: naar ons
beste weten zijn ze afkomstig uit de Sargassozee (een zeegebied groter dan
Europa), op een afstand van 3000-7000 km.
Daarvandaan brengt de Warme Golfstroom ze naar Europa; dit neemt waarschijnlijk
meer dan een jaar in beslag. Een kleine
verandering in de Golfstroom zou wellicht een geweldige invloed kunnen hebben
op het aantal dieren dat deze lange tocht
overleeft. Nu is het probleem dat de Oceaan zo groot is, dat we er eigenlijk
maar heel weinig van af weten. Gedetailleerde metingen van stromingen,
temperaturen, voedselbeschikbaarheid, etc.
zijn simpelweg niet voldoende aanwezig. Wel is er een index van de luchtdrukverdeling
boven de Oceaan , waarvan men aanneemt dat die indicatief is voor de sterkte van
de Golfstroom. In deze index wordt de luchtdruk
boven de Azoren vergeleken met die boven IJsland. In de jaren 1980
nam de luchtdruk bij IJsland relatief af, min of meer gelijk opgaand met de
afname van de glasaal. Begin jaren 1990
werd voor beiden een minimum bereikt, waarna midden jaren 1990 een licht herstel
intrad. Daarna is de hoeveelheid glasaal
echter dramatisch gedaald, terwijl de luchtdrukverdeling juist op normale
waarden uitkwam. Er
is nog een tweede aanwijzing voor een effect van het Oceaan -klimaat: de glasaal
die bij ons binnentrekt, brengt in zijn
lichaam als het ware een verslag van zijn reis op de oceaan met zich mee. Juist
in de jaren dat er het minste glasaal
binnentrok (1991), bleek de gemiddelde lengte (gemeten in Den Oever) ook
aanzienlijk kleiner geworden dan in de
voorafgaande decennia. Het lijkt aannemelijk te veronderstellen dat de glasaal
klein bleef, omdat ze onvoldoende voedsel vonden in de Oceaan. En dat zou dan
goed overeenkomen met een verandering in
de stroming en de klimaatindex. Midden jaren 1990 is de luchtdrukverdeling weer
naar gemiddelde waarden teruggekeerd en
namen tegelijkertijd ook het aantal en de lengte van de glasaal normalere
waarden aan. Maar rond 2000 is dat verband niet
meer aanwezig: de lijn van het klimaat en van de glasaallengte gaan
samen omhoog, maar het aantal glasalen daalt naar een absoluut dieptepunt. De
relatie tussen glasaallengte en klimaat
lijkt wel te blijven bestaan, maar het opgetreden herstel van het klimaat levert
nu niet meer glasaal op. Polders en dammen Half Nederland ligt beneden de waterspiegel. Grote delen van de laaggelegen gebieden hebben oorspronkelijk deel uitgemaakt van het woongebied van de aal. Afdammen, inpolderen, droogmalen hebben dus allemaal invloed gehad op de aalstand en zullen de opgroeimogelijkheden verkleind hebben. De vraag rijst dan, of de afname van de aalstand soms het gevolg is van onze waterbouwkundige werken. Voor het IJsselmeer zijn er vrij nauwkeurige gegevens bekend. Was de Zuiderzee nog ca. 3600 km2 groot, het IJsselmeer is geleidelijk verkleind tot ca. 1850 km2. Hoewel deze cijfers een onjuiste indruk geven dat het effect van inpolderingen exact kan worden ingeschat, wordt toch wel duidelijk dat de achteruitgang van de aalvangst (van 4000 naar 400 ton in 50 jaar) wezenlijk groter is geweest dan verklaard kan worden uit de halvering van het oppervlak. Onduidelijk is, hoe groot de invloed van de Afsluitdijk, en later de Houtribdijk, op het achterliggende water is, en welke rol het bovengelegen stroomgebied van de IJssel (en kleinere rivieren) kan hebben gespeeld. Aalscholvers Aalscholvers hebben de naam bovenal aal te eten. Voor het IJsselmeer is dat niet het geval. Analyse van hun dieet toont aan dat minder dan 1 % van hun voedsel uit aal bestaat; dat is maar ca. 18 ton per jaar. Dat kan daarom nauwelijks de oorzaak zijn van de grote achteruitgang van de aal. Waarschijnlijk eten aalscholvers buiten het IJsselmeer meer aal. Vergelijking van de toename van het aantal aalscholvers met de daling in de aal maakt echter duidelijk, dat de aalscholvers pas echt op het toneel verschenen, toen het grootste deel van de aal al was verdwenen. Visserij Is de visserij oorzaak van de achteruitgang van de aal? Dat is een moeilijk probleem. Hierboven is een hoge aalvangst in 1950 gelezen als een teken dat er veel aal aanwezig was. Tegelijkertijd zal een hoge vangst juist ook een oorzaak kunnen zijn van een sterke achteruitgang in het bestand. Wel is duidelijk, dat de achteruitgang van de vangsten gepaard is gegaan met een afname van het aantal bedrijven op het IJsselmeer, maar dat de visserij inspanning daarmee geenszins gelijke tred heeft gehouden. In de periode 1970-1985, Parasieten In 1985 werd een Australische zwemblaasparasiet in Nederland ingevoerd in een transport van levende aal. Nog hetzelfde jaar was nagenoeg alle aal geïnfecteerd en werden ook dode of beschadigde alen aangetroffen. Nederland was een van de eerst geïnfecteerde landen. In de daarop volgende jaren is de infectie bij ons weer wat afgezakt en was er ook geen schade meer zichtbaar. Geen directe schade althans, want niemand weet of een schieraal met een verziekte zwemblaas de lange weg terug door de Oceaan wel kan volbrengen. Wel is duidelijk dat de daling van de glasaalintrek al begonnen was voor de parasiet goed en wel door heel Europa verspreid was. Vervuiling Ook
voor de vervuiling geldt, net als voor de zwemblaasparasieten, dat het mogelijke
effect waarschijnlijk optreedt in een
levensstadium dat we niet direct kennen: tijdens de schieraaltrek in de Oceaan
en bij de rijping van de geslachtsorganen.
Een bijkomend probleem is dat metingen van cruciale componenten van de
vervuiling pas
op gang zijn gekomen (1978), toen de ergste vervuiling eigenlijk al over zijn
hoogtepunt (1970) heen was. Het lijkt
waarschijnlijk dat de vervuiling geleidelijk is opgebouwd in de periode
1950-1970. Dat is exact de periode waarin
de glasaal talrijk aanwezig was, maar de vangst van rode aal wel afnam. Het is
wel heel raar, dat het voor vervuiling
gevoelige levensstadium (de voortplanting) succesvol bleef, terwijl de aantallen
in het minder gevoelige stadium (groei)
juist achteruitgingen. En wat is de oorzaak nu? Wat de oorzaak uiteindelijk was, komen we misschien wel nooit te weten. Voor elk van de geopperde hypotheses is wel wat te zeggen, maar geen enkele simpele verklaring past precies. Omgekeerd kunnen we ook geen van de hypotheses echt uitsluiten. Elk van de genoemde factoren zal zeker een rol gespeeld hebben. Het is daarom het meest waarschijnlijk dat de samenloop van omstandigheden geleid heeft tot de achteruitgang in de aalstand. Inpoldering, visserij en vervuiling hebben allemaal geleidelijk hun tol. Toen daar vervolgens ook nog eens aalscholvers, parasieten en een tijdelijk ongunstig klimaat bijkwamen, was de strijd definitief beslecht. Nauwkeuriger beschouwing van de trends in glasaal en rode aal geeft nog een belangrijke aanwijzing: Voorzorgsbeginsel De
stand van de aal gaat achteruit. In het wetenschappelijke advies van de
Internationale Raad voor het Zeeonderzoek
(ICES) is dan ook vastgesteld dat de stand zich niet meer binnen veilige
biologische grenzen bevindt, en dat de
visserij in de huidige omstandigheden niet duurzaam zal kunnen worden
uitgevoerd. Op verschillende vlakken
(visserij, habitat verlies, vervuiling en introductie van parasieten) heeft de
mens een negatieve invloed gehad op de
stand. Alle informatie wijst erop dat we voorlopig op een dieptepunt zijn
aangekomen. Daarom luidt het wetenschappelijk
advies, zo spoedig mogelijk een herstelplan voor de aal op te stellen.
Dat zal een complex proces worden: heel Europa moet daarbij betrokken worden,
het gaat om zeer kleinschalige visserijen,
met grote regionale verschillen en belangentegenstellingen en bovenal grote
wetenschappelijke onzekerheden. Hoewel dit niet
de plaats is om uitgebreid op de details van zo'n plan in te gaan,
kan nadere beschouwing van een aantal uitgangspunten de discussie wellicht
verhelderen. In de afgelopen jaren is
internationaal hard gewerkt aan een samenhangend stelsel van politieke
doelstellingen en richtlijnen, die bekend
zijn geworden onder de naam: Voorzorgsbeginsel. Deze benadering is enerzijds
gebaseerd op het Verdrag over het Zeerecht
(1983), anderzijds op de Milieu Conferentie in Rio de Janeiro in 1993.
Kern van de zaak is dat er verantwoord dient te worden omgesprongen met
natuurlijke hulpbronnen, dat exploitatie
slechts toelaatbaar is als duidelijk is dat er geen (blijvende) schade wordt
toegebracht. Deze politieke uitgangspunten
zijn vervolgens in technische zin uitgewerkt tot praktische regels, die nu
standaard door de ICES worden toegepast.
Aangenomen wordt, dat er in het algemeen (voor
alle vissoorten) een verband bestaat tussen de grootte van de paaistand
en de hoeveelheid nakroost. Meestal is de situatie, dat er een minimale
paaistand nodig is om voldoende nageslacht
te kunnen produceren. Een grotere paaistand resulteert niet in nog veel meer
jongen, maar een kleinere paaistand leidt
wel tot een aanzienlijke daling. Het heikele punt is dan, vast te stellen bij
welke paaistand dit minimum ligt, bij
welke paaistand een vermindering gevolgen gaat krijgen voor het nageslacht. Als
dat minimum bekend is (of een voorlopige
schatting ervan politiek overeengekomen is), kunnen vervolgens beheersmaatregelen
gekozen worden, die ervoor zorgen dat de paaistand boven dat minimum blijft. Het
Voorzorgsbeginsel stelt nu, dat ook voor de aal
een dergelijk verband tussen paaistand en nakroost moet worden aangenomen,
tenzij het tegendeel bewezen is. Daaruit volgt, dat een herstelplan er in ieder
geval ook op gericht moet zijn, een
voldoende grote paaistand te behouden. De zorg om de paaistand. Maar de aal zou de aal niet zijn, als alles hiermee opgelost kon worden. Paaistand en nakroost moeten alle twee gezocht worden op een onbekende plaats in de Oceaan. Daar schieten we dus niet erg veel mee op. Voor beiden kan er wel een benadering gevonden worden. Het geproduceerde nageslacht komt tenslotte als glasaal aan onze kust. In heel Europa is een zelfde daling in de glasaalintrek vastgesteld. Kennelijk zijn de waarnemingen maatgevend voor een gemeenschappelijk proces ver weg op de Oceaan, wellicht op de paaiplaats. De paaistand is veel moeilijker vast te stellen. Van ontsnappende schieraal is erg weinig bekend. Waarschijnlijk houdt de hoeveelheid ontsnappende schieraal wel gelijke tred met de aalvangst in de binnenwateren. Als er veel aal is kan de visserij veel vangen, maar zal er ook veel schieraal ontsnappen. Hoewel niet ideaal, zal het verband tussen paaistand en nakroost toch wel redelijk benaderd kunnen worden door aalvangst en glasaalintrek. En dat verband suggereert, dat er ook bij de aal wel degelijk sprake is van een relatie: de geleidelijke afname van het (paai)-bestand in de jaren 1920-1960 had weinig effect op de glasaal, maar toen vervolgens in de periode 1960-1990 de afname steeds verder ging, werd rond 1980 het minimum gepasseerd, en stortte de glasaal plotseling in. In deze optiek was het effect van bijvoorbeeld de klimaatsverandering op de oceaan de druppel die de emmer deed overlopen, maar niet de oorzaak van de achteruitgang. De instorting van de glasaal was onvermijdelijk, omdat de stand in de continentale opgroeigebieden gestaag terugliep. De teruggang in de glasaal is hier nu geschetst als het gevolg, en niet de oorzaak van de afname van het aalbestand in continentale wateren. Dit idee is betrekkelijk nieuw en nogal speculatief, en behoeft daarom duidelijk nog verdere onderbouwing. Maar de vraag is, of er al consequenties getrokken kunnen worden. Moet het beheer van de aal zich richten op het herstel van de paaistand, op het herstel van de schieraal? Moet het roer om, vanwege een onbewezen stelling? Het Voorzorgsbeginsel maakt een onverbiddelijke keuze: neem het zekere voor het onzekere, spaar de paaistand. Zorg ervoor dat de visserij niet meer dan een redelijk deel van het bestand vangt; zorg ervoor dat dammen en sluizen geen onoverkomelijke barrière vormen voor de migratie. Wat is redelijk? Waar moeten we naar streven? Gegevens voor de aal ontbreken of geven slechts een indicatie, of een afgeleid beeld. Daarom is het wetenschappelijk advies opnieuw gebaseerd op het voorzorgsbeginsel. Voor vele andere vissoorten kan de paaistand verkleind worden tot op ca. 30 % van de oorspronkelijk onbeviste situatie, zonder dat dit nadelige gevolgen heeft voor de aanwas van jonge vis. Voor de aal ontbreekt de kennis om een specifieke berekening te maken. Dezelfde norm van 30 % zou verkozen kunnen worden, maar gezien de grote onzekerheden wordt een hoger getal (van bijvoorbeeld 50 %) aanbevolen. De aalstand gaat hard achteruit. Dit zou mede het gevolg kunnen zijn van menselijk handelen, waardoor de paaistand momenteel te klein zou zijn. Maatregelen gericht op het herstel van de paaistand zijn aanbevolen; in de praktijk zal ernaar gestreefd moeten worden de vrije uittrek van schieraal op tenminste 30 % van de natuurlijke toestand te verzekeren. Voor de verschillende sectoren werkt dat verschillend uit. Glasaalvisserij en aquacultuur De
kweek van aal maakt, net als de visserij, gebruik van het natuurlijke bestand.
De Nederlandse visserij vist op Nederlandse
aal, maar de Nederlandse kweek maakt gebruik van glasaal uit Zuid -Europese
wateren. Hoewel dat, naar beste weten,
dezelfde aalpopulatie is, zijn de beheersproblemen daar toch anders dan in onze
wateren. De hoeveelheid glasaal die in
zuidelijke wateren binnentrekt, is bijzonder groot. Voor de Vilaine (de grootste
rivier van Bretagne) is berekend, dat in
de jaren 1970 meer dan 15 kg glasaal per hectare wateroppervlak de rivier
binnenkwam. Ter vergelijking: in noordelijk
Europa wordt meestal 0.1 kg/ha uitgezet, of in uitzonderlijke gevallen
maximaal 0.5 kg/ha. Die 15 kg in de Vilaine zal dus zeker niet allemaal hebben
kunnen overleven, maar kort na de intrek
door voedsel - en ruimtegebrek zijn overleden. Daarom kon de glasaalvisserij min
of meer ongestraft een deel van de intrek
oogsten. Kon, want er komt natuurlijk een moment dat er zo weinig glasaal
binnenkomt, dat alles wel een plaatsje in de
rivier vinden kan (in 2001 trok nog 0.58 kg/ha binnen). Voorlopig wordt
de natuurlijke productie van schieraal in deze wateren veel meer bepaald door de
beschikbaarheid van binnenwater. Hoe
groter de (bereikbare) rivier, hoe meer glasaal zich kan vestigen. Beheer moet
er daarom op gericht zijn een deel van de
glasaal te laten ontsnappen aan de visserij (dat was tot voor kort in de Vilaine
niet zo), en de opgroeigebieden te
herstellen en bereikbaar te maken (dat was in de Vilaine ook niet het geval). Is
dat een verantwoordelijkheid van de
zuidelijke landen, of ook van de noordelijke aquacultuur? Rode aal en visserij Van de visserijen op rode aal in ons land, weten we het meest van het IJsselmeer, omdat de Overheid hierin mede verantwoordelijk is voor het beheer. Tegelijkertijd weten we ook dat het IJsselmeer extreem overbevist is, hetgeen in andere binnenwateren veel minder het geval lijkt te zijn. Nu blijkt het effect van de IJsselmeervisserij heel goed in lijn te liggen met de weinige analyses die in het buitenland van de rode aal -visserij zijn gemaakt. Het inzicht verworven uit de IJsselmeervisserij is zo gek nog niet, en zodra er meer gegevens van daarbuiten bekend worden, kan een aanvulling plaatsvinden. In een figuur is het verband geschetst tussen de visserijintensiteit (horizontaal, in procenten van de huidige IJsselmeervisserij) en de opbrengst van rode en schieraal (in gram per binnengetrokken glasaal). Voor de schieraal is hierbij in het midden gelaten of deze gevangen wordt of naar de paaiplaats doortrekt. Het zal niet verwonderen dat de hoogste productie van schieraal bereikt wordt, als de rode aalvisserij zo ver mogelijk beperkt wordt. Het pleidooi van visserijbiologen om de visserij in plaats van op rode, vooral op schieraal te richten behoort wel tot de klassiekers. Inmiddels staat de bescherming van de paaistand voorop. Behoud van 30 % van de schieraal vereist een beperking van de IJsselmeervisserij tot 20 % van de huidige rode aalvisserij. Een ferme beperking van de IJsselmeervisserij zal niet alleen de paaistand ten goede komen, maar ook de visserij! En buiten het IJsselmeer? Een maximale vangst wordt verkregen bij een visserij intensiteit van 30 - 50%, maar dat heeft wel een reductie van de schieraal tot gevolg tot 2½ - 15 %. Dat is beneden de minimum norm van Schieraal en visserij Nog
niet zo heel erg lang geleden gold ontsnappende schieraal als puur verlies.
Gepoogd werd het beheer van spuisluizen
aan te passen, zodat wegtrekkende schieraal voor de visserij behouden bleef. De
wettelijke minimummaat op de aal bedraagt
in Nederland 28 cm. Binnen Europa is dit een uitzonderlijk kleine lengte. De
redenering was echter, dat een hogere maat zou
betekenen dat de mannetjes schier zouden worden (vanaf ca. 32 cm
lengte), en naar zee zouden kunnen ontsnappen. Alles liever dan dat, dus vingen
we ze een jaar tevoren, vanaf 28 cm
lengte. Maar de tijden veranderen en behoud van voldoende paaistand is nu
prioriteit nummer één. Ogenschijnlijk
staan schieraalvisserij en behoud van de paaistand lijnrecht tegenover elkaar.
Elke gevangen schieraal is er eentje
minder voor de paaistand. Daar staat tegenover, dat de schieraalvisserij een
hogere opbrengst geeft dan de rode aal
visserij, en visserijbeperkingen daarom beter op de rode aal gericht kunnen
zijn. Op het IJsselmeer zou de hele
schieraalvisserij gesloten kunnen worden, zonder dat de schieraaltrek noemenswaard
zou toenemen. Anderzijds kan een efficiënte schieraalvisserij het effect van
voorafgaande beheersmaatregelen volledig
ongedaan maken. Hoe efficiënt is de
schieraalvisserij? Uit het buitenland zijn een aantal tegenstrijdige cijfers
bekend. In de Oostzee is uit merkproeven
gebleken dat 50-70 % van de schieraal gevangen wordt. In Ierland zijn in de
rivier de Bann twee onder elkaar gelegen
dichtzetten aanwezig (netten die de gehele rivier afsluiten), waarvan de
onderste dikwijls hogere vangsten maakt
als de bovenste. Dan moet de bovenste kennelijk heel wat schieraal hebben
doorgelaten! Voor Nederland zijn nog geen cijfers
bekend. In de Maas lopen op dit moment proeven met zenders in de buik van dikke
schieralen, waaraan ook de visserij een bijdrage levert. Herstel van leefgebied Volledig herstel van de oude situatie, waarbij half Nederland onder de waterspiegel lag, is misschien niet erg realistisch. Anderzijds is er in Nederland vrijwel geen enkel water meer zondermeer toegankelijk voor de aal, dus zonder enige maatregel ziet het er in ons land bijzonder slecht uit voor de aal. Er zal een balans gevonden moeten worden tussen wensen en mogelijkheden. In het meest recente wetenschappelijke advies over de aal wordt voorgesteld een stapsgewijze benadering te kiezen. Het beginpunt is makkelijk te realiseren, maar wellicht niet genoeg; het eindpunt is ideaal, maar niet erg realistisch. De eerste stap behelst verbetering van het beheer in de thans bestaande wateren; de tweede de installatie van vistrappen of aalgoten, of desgewenst de uitzet van glasaal boven stuwen of gemalen; in de derde stap wordt een zodanig herstel van leefgebied nagestreefd, dat alle binnentrekkende glasaal een plaatsje vinden kan; de vierde stap richt zich op herstel van een nog betrekkelijk kort geleden verloren gegane, historische situatie; terwijl uiteindelijk in stap vijf een volledig natuurlijke situatie wordt nagestreefd. Tot welke stap dit pad gevolgd moet worden, is een kwestie van overleg. Maar elke stap voorwaarts brengt het herstel van de leefgebieden weer verder in de goede richting. De
aalstand in heel Europa maakt een langdurige achteruitgang mee, sinds 1965 (rode
en schieraal) resp. 1980 (glasaal). Als
mogelijke oorzaken zijn ondermeer genoemd: vervuiling, verlies van opgroeigebied
als gevolg van dammen en stuwen,
toegenomen predatie door aalscholvers, klimaatsverandering in de oceaan,
overbevissing en door de mens geïntroduceerde
ziektes en parasieten. Hoewel de oorzaak van de achteruitgang niet echt bekend
is, lijkt het aannemelijk dat het merendeel van
de genoemde factoren wel een rol gespeeld heeft. Niet alle problemen
lenen zich om door beheersmaatregelen op korte termijn te kunnen worden
aangepakt (b.v. klimaat) Eerste prioriteit
is daarom het behoud van een voldoende grote paaistand veilig te stellen, d.w.z
voldoende schieraal uit onze wateren terug
te laten keren. Dit vergt landelijk beheer van de aalvisserij, in combinatie met
het herstel van leefgebieden. De streefbeelden hiervoor zijn in grote lijnen
duidelijk. We kunnen aan de slag! |
||||||||
|
|||||||||