Logo Aquafarm

Aquafarm-Putten

Natuurvriendelijke palingkwekerij

 

   
 


Een school jonge paling in een kweekbak Klik op foto voor groter

Index

De Paling : korte omschrijving over de paling

Paling : algemene omschrijving over de paling

De toestand van de Europese aalstand en –visserij.
Onderwerpen index:
Inleiding :  
Biologie :
Glasaal - visserij :
De glasaal - intrek van 2002 :
Glasaal uitzet :
Rode en schieraal - visserij :
Kweek van de Europese aal :
Samenvatting :
De toekomst van de europese aalstand :
Achtergrond :
Oorzaken :
Consequenties :
Remedies :
Conclusies :

 

 


Bron: http://www.digischool.nl/bi/onderwaterbiologie/html/biologie/zoetwate/paling.htm

Een paling in de vrije natuurDe Paling

De paling heeft een heel afwijkende lichaamsbouw in vergelijking met de meeste andere in Nederland voorkomende vissoorten. Zijn slangachtige bouw zorgt ervoor dat hij zich razendsnel kan ingraven als er gevaar dreigt. Het grootste gedeelte van de dag ligt hij dan ook ingegraven, om 's nachts tevoorschijn te komen om te gaan jagen. Hij jaagt hierbij, met zijn, buisvormige goed ontwikkelde neusgaten, hoofdzakelijk op de reuk. Hij lokaliseert hiermee ongewervelden zoals vlokreeften, muggenlarven en aasgarnalen om ze vervolgens bliksemsnel te vangen en op te eten. Als de paling groter wordt richt hij zich op grotere prooien, en afhankelijk daarvan ontwikkelt hij zich in een breed of spitskoppige paling. Het mannetje wordt niet groter dan 40 cm. terwijl het vrouwtje, dat ook veel langer in het zoete water blijft, een lengte kan bereiken van 120 cm.

 Het meest bijzondere van de paling is zonder meer zijn voortplanting. Nadat ze zo'n 5 tot 20 jaar in onze zoete wateren hebben geleefd, vertrekken ze naar zee om zich te gaan voortplanten. Voor ze echter in volle zee zijn hebben ze al een hele tocht achter de rug. Palingen in afgesloten wateren trekken hierbij over land. Geholpen door hun slijmachtige huid, trekken ze over vochtige weilanden tot ze weer water bereiken. Algemeen aangenomen wordt, dat de geslachtsrijpe paling (blanke aal) een trektocht maakt van 6000 kilometer, naar de, bij Zuid Amerika gelegen, Sargassozee. Daar aangekomen planten zij zich voort en sterven. De larven laten zich vervolgens op de golfstroom meevoeren naar Europa. In de twee jaar dat de reis duurt, veranderen ze van een bladvormige larve in een glasaaltje. Met miljoenen tegelijk zwemmen ze dan de Europese rivieren op.


Paling
(Anguilla anguilla)

Bron: http://www.kustgids.nl/paling/index.html

 

Classificatie en namen
Vis; orde: Anguilliformes (aalachtigen); familie: Anguillidae (palingen)

Beschrijving
Levensbeschrijving:
palingen worden als larven in de Saragasso Zee geboren uit eieren van 1.1 mm doorsnee en lijken op een opgerold blad. De larven reizen met de zeestromingen naar Europa in ongeveer 3 jaar. Zij worden dan glasaal en zwemmen stroomopwaarts de rivieren en meren in. Na een aantal jaar reizen zij stroomafwaarts als volwassenen en zwemmen dan terug naar de Saragasso Zee om kuit te schieten en te sterven.

Beschrijving van palingen in zoetwater
Lang, slangachtig lichaam met 110-120 wervels. Onderkaak steekt uit. Lange rug - en borstvinnen, die beginnen achter de kieuwen en samenkomen op het eind van de staart. Kleine, ronde ogen. Taai, slijmerige huid.
Kleur: rug donker (verscheidene kleuren komen voor: blauw, olijf -groen, rood, bruin en zwart) en onderzijde licht van kleur (wit of gelig)
Lengte: mannetjes tot 50 cm, vrouwtjes tot 1 m (max. 135 cm)

Verspreiding
Europese Paling komt voor in de rivieren van de oostelijke Noord-Atlantische Oceaan van de Witte Zee, de Oostzee en de Noordzee in het noorden tot Noord Afrika, de Middellandse Zee en de Zwarte Zee in het zuiden.

Migratie: na enige jaren worden palingen zilverpalingen of schieraal als hun rug zwart en hun onderzijde zilverkleurig worden. De ogen worden groter en hun kop breder en puntiger. Daarna beginnen zij terug te zwemmen naar de Saragasso Zee, waar zij kuitschieten op 400-700 m diepte.

Habitat
Palingen leven op de bodem van zoetwater (bijv. rivieren, beken, meren, vijvers) in modder of onder stenen in temperaturen tussen 0 en 30°C en tot hoogten van 1000 m. In kleinere aantallen ook in zoute en brakke kustwateren.
Palingen in lagere delen van rivieren zijn vaak kleiner en vaker mannetjes. Vrouwtjes zwemmen vaak verder stroomopwaarts.

Voedsel
Palingen eten bijna alle waterdieren (zowel in zout - als zoetwater). Heeft voorkeur voor vissen en invertebraten.
Volwassen paling eet niet tijdens migratie in zee.

Gedrag en voortplanting
Foerageren:
palingen in zoetwater zijn nachtdieren en bodemvissen.
Mobiliteit: kan stroomopwaarts zwemmen en over land glijden. Zwemt 20-40 km/dag op weg naar de Saragasso Zee
Volwassenheid: varieert, mannetjes na 6-12 jaar in zoetwater, vrouwtjes na 10-20 jaar in zoetwater.
Voortplantingscapaciteit: vrouwtjes leggen miljoenen eieren
Voortplantingsperiode: palingen trekken naar zee in September/November, sperma en eieren worden op weg naar de Saragasso Zee geproduceerd, kuitschieten in de Saragasso Zee in Maart/April
Levensduur: drijven van de Saragasso Zee naar Europa als larve duurt 3 jaar; mannetjes blijven 6-12 jaar in zoetwater, vrouwtjes blijven 9-20 jaar in zoetwater. Sterven na kuitschieten. Oudst bekende paling 85 jaar.

Predatie en competitie

Palingen worden gegeten door vogels en otters.

Bedreigingen
overbevissing 
  inpolderingen
  afsluiting van rivieren

Bescherming
De paling staat als gevoelige diersoort op de Nederlandse Rode Lijst van beschermde zoetwatervissen. 


 De toestand van de Europese aalstand en –visserij.
Bron: http://www.kustgids.nl/paling/

door:Willem Dekker, Nederlands Instituut voor Visserij Onderzoek, Postbus 68, 1970 AB IJmuiden

De achteruitgang van de aal krijgt recentelijk meer en meer aandacht, in ons land, maar ook internationaal. Sinds 1998 dringt het wetenschappelijk advies erop aan een internationaal herstelplan op te stellen. Omdat daar nog weinig schot in zit, heeft op 15 april 2002 onze Staatssecretaris aan de Tweede Kamer geschreven niet te willen wachten, maar nationaal alvast een begin te willen maken met een herstelplan. In dat kader wil ik proberen hier de relevante informatie overzichtelijk samen te vatten. In dit artikel beschrijf ik de feitelijk bestaande toestand en de voorafgaande ontwikkelingen; in een tweede artikel zal ik ingaan op de oorzaken van de achteruitgang, de gevolgen en mogelijke remedies.

Inleiding

De Europese aal (Anguilla anguilla (L.) staat model voor alle aal - soorten. Het geslacht van de rivier -alen is door Linnaeus beschreven aan de hand van deze ene soort. Het grootste deel van onze wetenschappelijke kennis over alen is gebaseerd op onderzoek van deze aal. Dat onderzoek begon al bij Aristoteles (ca. 400 v. Chr.), die het eerste wetenschappelijke experiment met vis uitvoerde. Hij beschrijft hoe een zoetwater -poel werd leeggeschraapt. Nadat de regen de poel weer had gevuld, bleken er opnieuw alen in de poel aanwezig te zijn. Aristoteles leidde daaruit af, dat aal uit de modder in de bodem spontaan kan ontstaan, zonder dat er vooraf aal aanwezig is. Dit beeld van spontane generatie wordt nu niet meer geloofd. De werkelijke voortplanting van aal is pas veel later uitgezocht (het eerste voor de Europese aal) door de Deen Johannes Schmidt: het wel bekende verhaal van de voortplanting in de Sargasso-zee. Overigens moeten we daarbij niet uit het oog verliezen, dat het tot op de dag van vandaag niet echt gelukt is de paaiende alen te vinden en dat ook kunstmatige voortplanting in het laboratorium niet succesvol is. In de Sargassozee vinden we echter de kleinste larfjes en daarom nemen we aan dat de plaats van de voortplanting daar dichtbij is. Maar de Sargassozee is een zee -gebied, dat in feite groter is dan geheel Europa; de plaatsbepaling is dus nog niet zo erg exact! In veel opzichten zijn de inzichten van Schmidt in de biologie van de Europese aal uitgegroeid tot ware mythes, bij het brede publiek, maar ook bij serieuze wetenschappers. Hoe het ook zij, het is duidelijk dat de Europese aal een vooraanstaande positie inneemt. De Europese aal komt voor in een groot gebied, dat geheel Europa, noordelijk Afrika en de aan de Middellandse zee gelegen delen van Azië omvat. Typische aalvisserijen worden echter gekenmerkt door een kleinschalige opzet, met slechts enkele vissers, op een klein wateroppervlak (gemiddeld ca. 8 km2). Het beheer van de aalvisserij heeft tot op heden uitsluitend plaatsgevonden op plaatselijk of regionaal niveau. Deze versnipperde aanpak staat in schril kontrast met de neergang in de aalstand, die in de afgelopen decennia overal in het verspreidingsgebied is opgetreden. Bovendien is de handel in aal de afgelopen jaren uitgegroeid naar een wereldschaal: wereldwijde transporten van levende aal of kant –en -klare eind -producten zijn tegenwoordig aan de orde van de dag. Dat betekent dat onze aal niet langer alleen de kleine, plaatselijk visserij betreft, maar globale betekenis heeft. Vergelijking van de verschillende aalsoorten op de wereld toont, dat de visserij op de Europese aal de grootste van de wereld is. De kweek van aal betreft bovenal de Japanse aal. De Amerikaanse en Australische/Nieuw-Zeelandse visserij en kweek hebben een veel kleinere omvang. Omdat de Europese aal ook het grootste verspreidingsgebied heeft, is het waarschijnlijk dat het Europese bestand het grootste wild bestand van de wereld is. In dit artikel zal het woord aal meestal betrekking hebben op de Europese aal. Waar verwarring mogelijk is, zal ik duidelijk Europese aal gebruiken, maar in dat geval wordt niet bedoeld de discussie tot Europa te beperken; de bestanden in Noord Afrika zijn daar te belangrijk voor. In mijn ogen is de benaming Europese aal een misleidende aanduiding, net zoals rivier -aal of zoetwater -aal. Achtereenvolgens zal ik de glasaal -visserij, de glasaal -uitzet, de rode en schieraalvisserij en de aquacultuur bespreken. Ik  richt me daarbij vooral op de toestand van het bestand en de visserij in geheel Europa en noordelijk Afrika. De Nederlandse visserij en aquacultuur maken daar integraal deel van uit en nemen geen uitzonderlijke positie in. De Nederlandse visserij vist op het Nederlandse aalbestand, maar maakt gebruik van buitenlandse glasaal voor uitzet; de Nederlandse aquacultuur kweekt buitenlandse glasaal en is daarmee feitelijk consument van de buitenlandse (Franse en Engelse) glasaalvisserij. Wellicht ten overvloede wil ik met grote nadruk erop wijzen, dat de kunstmatige voortplanting van aal niet succesvol uitgevoerd kan worden en de aquacultuur daarom gewoon het natuurlijke aalbestand exploiteert, precies zoals de visserij, de hengelsport, de aalscholver en de uitgezette otter.

Biologie

De aal is een zeer uitzonderlijke vis. De voortplanting vindt ver van Europa, op de oceaan plaats, op een nog steeds onbekende locatie. De Leptocephalus-larven in de oceaan lijken in het geheel niet op alen, maar hebben de vorm van een wilgenblaadje . Nabij het Europese continent vormt deze zich om in een jonge, doorzichtige aal: de glasaal, met een lengte van 7 cm. Deze verspreidt zich over Europa, waar ze in kust - en binnenwateren opgroeien. Waarom deze geel/bruine dieren als rode aal worden aangeduid is mij niet duidelijk. In het engels staan ze bekend als yellow eel. Eenmaal in de kust - en binnenwateren aangekomen, eten de aaltjes allerlei levende prooien, zoals wormen, watervlooien, kreeftjes, insecten etc. Vanaf een lengte van 25 cm wordt tevens vis gegeten. Dat ook kadavers gegeten zouden worden, is slechts een fabel. Aal groeit bijzonder langzaam: bij ons marktwaardige aal van ca. 30 cm is 8 à 10 jaar oud. De langzame groei hangt samen met de lage temperaturen in onze buitenwateren. In zuidelijke streken en in kwekerijen kan een groei van 20 cm per jaar of meer worden bereikt, maar in uitzonderlijke gevallen kan zo’n snelle groei ook in koude buitenwateren wel eens optreden. Na de extreem koude winter van 1963, bijvoorbeeld, is dat in een aantal polders waargenomen. Bij een lengte van 35 tot 45 cm (mannetjes) resp. boven de 45 cm (vrouwtjes) verandert de aal van uiterlijk (aangeduid als schieraal, vanwege de witte= chiere buik) en trekt terug naar zee, om daar aan de voortplanting te gaan deelnemen. Bij deze trek wordt zonodig een korte tocht over land niet gemeden. Fysiologisch gezien is de schieraal nog ver verwijderd van een werkelijk geslachtsrijp stadium. Een werkelijk geslachtsrijpe aal ziet er bepaald anders uit: een zeer dikke buik, heel grote ogen en vrijwel zwarte vinnen en neus. Schieraal wordt in sommige delen van Nederland ook wel paling genoemd, maar meestal zijn de woorden aal en paling synoniem.

Glasaal -visserij

Na de metamorfose aan het eind van het Leptocephalus -larve -stadium, trekt de jonge glasaal naar de estuaria van de rivieren langs de Atlantische kusten, in de winter (zuid -westelijke streken) en het voorjaar (oostelijke Middellandse Zee, westelijke en noordwestelijke gebieden). In Engeland (rond Bristol), Frankrijk, Spanje, Portugal, Italië en Marokko wordt de glasaal commercieel bevist.  Verder naar het noorden wordt de vangst van glasaal alleen gebruikt voor de uitzet in nabijgelegen buitenwater. De glasaal -visserij vindt plaats in estuaria, in rivier -mondingen of voor dammen en barrières. In al deze gevallen is er sprake van een (meestal natuurlijke) concentratie van de glasaal, in tijd en ruimte. De migratie vanuit zee naar binnen maakt gebruik van een mechanisme, bekend als het selectief getijden transport. Hierbij maakt de glasaal gebruik van de natuurlijke waterbeweging naar binnen tijdens de vloed, terwijl ze zich tijdens de eb schuil houden in of vlakbij de bodem. Dit transport -mechanisme vraagt weinig energie van de glasaal en wordt daardoor nauwelijks gehinderd door lage watertemperaturen. Om verder de rivier op te komen, moet de glasaal actief gaan zwemmen. Actief zwemmen vraagt een minimale temperatuur van 10-12ºC. In de winter, als het rivierwater nog koud is, kan de glasaal makkelijk het estuarium inkomen met het getij, maar moeilijk doorzwemmen de rivier op. Dientengevolge ontstaat er dan een grote concentratie glasaal in het estuarium. Deze concentratie is meestal te vinden aan de bovenstroomse kant van een estuarium, waar de vloedstroom tot stilstand komt tegen de uitstromende rivier in. Of, in de meeste Nederlandse gevallen, op de plaats waar de vloedstroom door een sluis of dam wordt tegengehouden, zoals voor de sluisdeuren van Den Oever. Glasaal -visserijen gebruiken zowel in de hand vastgehouden schepnetten als vanaf een schip bediende netten. Het net wordt stilgehouden in een binnenkomende waterstroom, of wordt actief door het water bewogen. Velerlei verschillende netten zijn in gebruik, zowel met de hand als vanaf een schip: sleepnetten, ankerkuilen, fuiken, schepnetten, etc. De commerciële glasaal -visserijen vinden plaats in het zuidwesten van Europa, noordelijk tot in Engeland (Bristol Channel) en langs de Mediterrane kusten van Spanje en Italië. Langs de meer noordelijke Atlantische kusten wordt glasaal alleen gevangen voor uitzet in binnenwateren; hierbij wordt meestal gebruik gemaakt van vast opgestelde vallen, waarbij een uitstromende lokstroom de glasaal aantrekt. De glasaal -visserij in België (de IJzer) en in Nederland (Afsluitdijk) maken gebruik van respectievelijk een hand -schepnet en een kruisnet. De grootste glasaal -visserijen worden gevonden in de grotere rivieren (Loire, Seine en Gironde in Frankrijk; Nalon en Minho in Spanje; Severn in Engeland; etc.), maar daarnaast worden ook de meeste kleinere riviertjes meestal wel bevist. Officiële gegevens over de kleinere visserijen worden soms wel en soms niet gevoegd bij de informatie van de grotere; soms wordt de glasaal van de kleine naar de grote rivier gebracht en daar verhandeld, soms kunnen de vissers kiezen waar ze vissen, soms worden alleen de aanvoer -statistieken achteraf bij elkaar opgeteld. Maar in de meeste gevallen weten we gewoon niet echt wat er gebeurt.De totale vangst van de glasaal -visserij in de jaren 1990 wordt geschat op 583 ton, maar dit getal vormt zeker een onderschatting van de werkelijk gevangen hoeveelheid. Vangsten worden dikwijls in kleine vissersplaatsen al verwerkt, zijn illegaal of worden niet gedocumenteerd. In Baskenland, in Noord Spanje, werd rond 1960 een vangst van 275 ton glasaal gemeld, maar tegenwoordig hebben we geen enkele opgave meer beschikbaar. In de jaren 1980 is al eens eerder geprobeerd de totale vangst te berekenen (857 ton), op basis van schattingen door deskundigen. Het is wel zeker dat toen een groot deel van de vangst gemist is, waaronder geheel Spanje. De lagere vangst -cijfers in de jaren 1990 komen in ieder geval overeen met de daling in onafhankelijke, betrouwbare cijfers over de hoeveelheid glasaal . De internationale statistieken van de aal -vangsten maken geen onderscheid tussen glasaal enerzijds en rode en schier -aal anderzijds. Omdat rode en schieraal zoveel zwaarder zijn dan glasaal, zeggen deze cijfers dus eigenlijk niets over de glasaal vangsten en het gebruik van die vangst. Op basis van de beperkte beschikbare statistieken en met aanvullingen uit gesprekken met vissers en handelaren ter plaatse, kan het volgende beeld voor het eind van de jaren 1990 worden opgebouwd. Het grootste deel van de glasaal wordt gebruikt voor aalkweek in Azië; ca. 20 % van de glasaal wordt als glasaal geconsumeerd, merendeels in Spanje; ca. 20 % wordt gevangen en elders (binnen en buiten het land van vangst) uitgezet in buitenwateren en ca. 15 % van de glasaal kan vrijelijk de rivieren opzwemmen. In vele landen in west Europa vindt een wetenschappelijke monitoring van de glasaal -intrek plaats. Dit betreft statistieken van commerciële vangsten, import –export -statistieken, wetenschappelijke bemonsteringen, vangststations voor poot aal, etc. Het gaat hierbij zowel om gegevens van de glasaal -visserij, als visserij onafhankelijke gegevens. In deze gegevens is een opmerkelijke, gemeenschappelijke ontwikkeling zichtbaar: een daling sinds 1980, tot op een niveau van ca. 10 % ten opzichte van de periode daarvoor. Deze daling treed op in commerciële en niet-commerciële gegevens, in noord - en zuid -Europa, etc. Slechts de poot aal in Scandinavië en de glasaal van de Britse Eilanden laten een ietwat afwijkend beeld zien, met een eerdere resp. mindere daling. Sommigen van de glasaal -reeksen lopen al langer dan 60 jaar (Frankrijk, Nederland, Duitsland en Zweden). Met name de kruisnet -bemonstering in Den Oever vormt een van de allerlangste en de meest betrouwbare series. Vanaf ca. 1950 kunnen duidelijke trends worden vastgesteld . Direct na de Tweede Wereldoorlog was er een arme periode van een aantal jaren, gevolgd door een zeer rijke periode in de jaren 1950, 1960 en 1970. Maar vanaf 1980 trad een gedurige daling op, die tenminste tot 1990 doorzette. Gedurende de jaren 1990 was er sprake van een redelijk stabiel, maar laag niveau. In 2001 trad echter een zeer scherpe verdere daling op, tot op nog maar 1 % van het oorspronkelijke niveau. In 2002 is in Den Oever de situatie niet verder verslechterd, maar van werkelijk herstel is helaas ook geen sprake).

De glasaal -intrek van 2002

Evenals in de voorafgaande 64 jaar, heeft in 2002 in Den Oever weer een bemonstering van de intrekkende glasaal plaatsgevonden. Deze bemonstering is kortgeleden afgesloten, zodat nu bekend is hoe de intrek in Den Oever afgelopen voorjaar verlopen is. In de eerste helft van het seizoen leek er sprake van aanzienlijk meer glasaal dan afgelopen jaar. Maar die pret was maar van korte duur: vanaf half april lagen de aantallen juist lager dan vorig jaar en tot het einde van het seizoen is er geen verbetering meer gekomen. Het lijkt waarschijnlijk dat de weersverandering half april heeft bijgedragen aan de omslag, maar al met al moeten we constateren dat de vangsten gemiddeld maar een klein beetje boven die van 2001 zijn uitgestegen en daarmee een voortzetting vormen van het historische dieptepunt van afgelopen jaar. In getal: van 1.65 stuks in 2000, naar 0.54 in 2001 en nu 1.09 glasalen per trek, dat is 4.8 %, respectievelijk 1.6 % en nu 3.2 % van het gemiddelde van de jaren 1960-1980 (dat was ruim 40 glasalen per trek). Uit het buitenland zijn nog geen definitieve gegevens voorhanden. Uit diverse kontakten komt het beeld naar voren, dat ook daar 2002 een bar slecht seizoen is geweest, dat maar heel weinig uitkwam boven het historisch minimum van 2001.

Glasaal uitzet

Natuurlijke aal -populaties concentreren zich meestal in estuaria en de benedenloop van rivieren. Bovenstrooms zijn alen aangetroffen tot op meer dan 1000 km van de monding, maar de gemiddelde verplaatsing rivier opwaarts is meestal niet sneller dan ca. 20 km per jaar. Een door de mens uitgevoerd transport van glasaal en poot aal van beneden naar boven in de rivier heeft dikwijls een aantoonbaar positief effect op de visserijopbrengst, net als transporten van het centrum van de verspreiding (Frankrijk en Spanje) naar de randen (Nederland, Duitsland, Scandinavië, Midden -Europa). Kennelijk is de dichtheid van de natuurlijke stand in grote delen van het verspreidingsgebied ver beneden de capaciteit van het ecosysteem, terwijl het bestand in Frankrijk en Spanje wel een glasaaltje of twee kan missen. In 1908 is in Epney, op de oever van de Severn in Engeland, door de Duitsers een glasaal -station opgezet, waarvandaan  levende glasaal naar Hamburg getransporteerd werd. In de periode voor de Tweede Wereldoorlog betrof dit ca 1.3 ton per jaar. Na de Oorlog nam het transport van glasaal vanuit Zuid -Europa naar Centraal en Noord -Europa een grote vlucht. Uitzet van Franse en Engelse glasaal werd een van de standaard beheersmaatregelen in Noord en Oost -Europa. Vanaf 1980 werd de glasaal echter zo schrikbarend duur, dat uitzet niet langer betaalbaar was. De meest recente schatting voor geheel Europa (begin jaren 1990) noemt nog 33 ton, maar sindsdien is de hoeveelheid nog aanmerkelijk gedaald. De uitzet van glasaal in afgesloten wateren heeft een aantoonbaar positief effect op de opbrengst een paar jaar later. Dit is ondermeer gebleken in vijverproeven, maar ook in evaluatie van grootschalige uitzetprogramma’s in Polen. De omvangrijke uitzet in geheel Europa is de meest waarschijnlijke verklaring voor de toename van de vangsten in de jaren 1960, met name in de noordelijke helft van Europa. Of uitgezette glasaal wel leidt tot de productie van volwaardige schieralen is echter nog maar de vraag. Merk -proeven in de Oostzee van schieraal afkomstig van Franse glasaal toonden, dat deze schieraal de uitweg uit de Oostzee veel slechter kon vinden dan de natuurlijk ingetrokken glasaal. Het is daarom waarschijnlijk veiliger aan te nemen dat uitgezette glasaal niet bijdraagt aan het behoud van de paaistand.

Rode en schieraal -visserij

De visserij op rode en schieraal komt voor in het gehele verspreidingsgebied van de aal. In midden en Noord -Europa vormt dit de belangrijkste visserij. In termen van gewicht is de glasaal -visserij in zuidelijke landen weliswaar verwaarloosbaar, maar in termen van aantallen overtreffen ze de rode aal -visserij ruimschoots (ca. 30 maal). Schieraal -visserijen zijn al bekend uit de steentijd, toen met vast opgestelde visweren gevist werd. Exclusief op schieraal gerichte visserijen komen nu eigenlijk alleen nog maar in Scandinavië voor, waar in de kustwateren met zeer grote fuiken gevist wordt. Waarschijnlijk is de focus op de schieraal een manier om de lage aalstand in Noord -Europa (25 alen per km2 landoppervlak) nog te kunnen exploiteren. Gedurende de schieraaltrek concentreert de in de binnenwateren geproduceerde aal zich in tijd (najaar) en ruimte (riviermondingen), waardoor een profijtelijke visserij in zeer dunbevolkte gebieden mogelijk wordt. In midden Europa, bij een gemiddelde dichtheid van de aalstand (400 stuks per km2 landoppervlak) richt de visserij zich grotendeels op de rode aal, met een bijvangst van schieraal. Ter vergelijking: in typische glasaal -gebieden bedraagt de dichtheid van het bestand ca. 1500 glasalen per km2 landoppervlak. De visserij op rode en schieraal maakt gebruik van een heel scala aan vistuigen, zoals netten en fuiken, speren, potten en tuben, haken etc. en wordt uitgeoefend in kustgebieden, in lagunes, in rivieren, meren, beken en alle mogelijke kleinere wateren. Gegevens over de omvang van de totale aalvisserij zijn berucht om het feit dat ze zo incompleet zijn. Vergelijking van de officiële cijfers met de best beschikbare schattingen heeft aangetoond dat de officiële cijfers voor vele landen maar ongeveer de helft van de werkelijke vangsten omvatten. Dat is ook (zeker) voor Nederland het geval. De meest recentelijk door Nederland gerapporteerde cijfers maken zelfs geen onderscheid meer tussen aalvisserij en aalkweek en zijn daarmee helaas volstrekt onbruikbaar geworden. Op basis van de beschikbare (officiële en onofficiële) cijfers kan wel de relatieve ontwikkeling in de vangsten gereconstrueerd worden . Hieruit blijkt dat in de periode voor de Tweede Wereldoorlog de vangsten varieerden rond een gemiddelde van ca. 47 500 ton. Na een duidelijk dal gedurende de Oorlog, stegen de aanlandingen geleidelijk tot 47 000 ton in 1964, waarna een zeer langzame maar gestage daling inzette, tot op een historisch dieptepunt van 22 000 ton in de afgelopen jaren (NB. Deze cijfers betreffen uitsluitend gerapporteerde vangsten). De stijging van de vangsten tussen 1945 en 1964 valt samen met de verwachte opbrengstverhoging ten gevolge van de uitzet van glasaal sinds de Tweede Wereldoorlog. Bovendien vond deze stijging met name plaats in Noordelijke landen, waar de uitzet het meest omvangrijk plaatsvond. Dit maakt het waarschijnlijk dat de hoge vangsten het gevolg zijn van de uitzet van glasaal, d.w.z. zonder deze uitzet was er misschien al veel langer een gestage daling te zien geweest. Tegelijkertijd is het ook duidelijk, dat de uitzet van glasaal steeds is toegenomen, tenminste tot 1980. De achteruitgang in de vangsten sinds 1965 vond dus plaats, ondanks dat er meer en meer glasaal werd uitgezet, terwijl de natuurlijke intrek ook maximaal was. De dalende vangsten in de jaren 1960, 1970 en 1980 zijn dus niet te wijten aan een tekort aan glasaal, maar moeten samenhangen met een verandering in onze binnenwateren.

Kweek van de Europese aal

De kweek van Europese aal is pas veel later van de grond gekomen dan de kweek van de Japanse aal . In 1970 bedroeg de Europese kweek ca. 3 400 ton, terwijl in Japan al 17 000 ton werd gekweekt. Rond 1970 hebben de Japanners een aantal jaren geprobeerd Europese aal te kweken, maar dat had toen weinig resultaat. In het midden van de jaren 1980 hebben ze het nogmaals geprobeerd, resulterend in een groei van 3 000 ton (1985) naar 10 000 ton nu. De kweek in Europa wordt momenteel geschat op ca. 10 000 ton. De Italiaanse aquacultuur heeft een lange geschiedenis, tenminste teruggaand tot de Romeinen. In de afgelopen eeuwen heeft de kweek zich geconcentreerd in de valli in Noord-Italië. In deze systemen worden natuurlijk ingetrokken glasalen opgekweektin natuurlijke lagunes, waarin de mens echter ingrijpt in de waterloop (zoet/brak /zout,koud/warm, zuustofrijk/-arm, etc.) en daardoor de productie tot ongekende hoogte kan opschroeven. Sinds de achteruitgang van de glasaal (1980) is echter ook in toenemende mate gebruik gemaakt van uitgezette glasaal, afkomstig van de Italiaanse west-kust. Daarnaast zijn er in Italië een aantal moderne aalkwekerijen ontstaan, vergelijkbaar met onze moderne bedrijven.

De moderne, intensieve kweek van aal is geheel gebaseerd op hoog-technologische en vergaand geautomatiseerde bedrijfsvoering, waarin meestal gebruik gemaakt wordt van water-recirculatie. Aan het eind van de jaren 1980 zijn deze systemen in gebruik genomen in een hele reeks van landen in geheel Europa. Gedurende de jaren 1990 is de kweek in Denemarken en Nederland gestaag doorgegroeid, terwijl elders alweer sprake was van een afname. Denemarken en Nederland domineren nu de markt, terwijl de kweek in Italië omvangrijk is, maar licht afneemt.

De kweekaal wordt merendeels afgezet binnen Europa. Uitzet van kweekaal in buitenwateren is tegenwoordig zeldzaam en draagt waarschijnlijk niet bij aan de voortplanting.

Samenvatting

De aalvisserij komt in vrijwel geheel Europa en noordelijk Afrika verspreid voor. De visserij op glasaal concentreert zich in landen rond de Golf van Biskaje, terwijl de schieraalvisserij met name in Scandinavië belangrijk is, met een visserij op rode aal daartussen in. De kweek van aal maakt gebruik van in het wild gevangen glasaal. De vangst van rode aal en schieraal neemt sinds midden jaren 1960 gestaag af, tot een historisch dieptepunt in de meest recente jaren. In de tweede helft van de afgelopen eeuw hebben omvangrijke transporten van glasaal plaatsgevonden, van zuid - naar noord -Europa, voor uitzet in binnenwateren. Sinds 1980 is de natuurlijke intrek van glasaal snel gedaald. Tegelijk is de vraag naar glasaal voor kweek in Europa en Azië sterk gestegen.

De toekomst van de Europese aalstand en –visserij.

De achteruitgang van de aal krijgt recentelijk meer en meer aandacht, in ons land maar ook internationaal. Sinds 1998 dringt het wetenschappelijk advies erop aan een internationaal herstelplan op te stellen. Omdat daar nog weinig schot in zit, heeft op 15 april 2002 onze Staatssecretaris aan de Tweede Kamer geschreven niet te willen wachten, maar nationaal alvast een begin te willen maken met een eigen herstelplan.

Achtergrond

De aal (=paling, Anguilla anguilla (L.)) plant zich voort in de Atlantische Oceaan, op een ons onbekende plaats, vermoedelijk ergens in de Sargassozee. De jonge aal (glasaal) trekt in het voorjaar vanuit zee de rivieren binnen, om daar in 2-20 (mannetjes) resp. 5-50 (vrouwtjes) jaar op te groeien (dan aangeduid als rode aal) tot een bijna paai rijpe schieraal, die vervolgens (in het najaar) terugkeert naar zee. De aal komt voor in geheel Europa, in noordelijk Afrika en een klein deel van Azië. In het noorden vist men op rode aal en schieraal, in het zuiden ook op glasaal. Sinds 1980 is de hoeveelheid glasaal, die vanuit zee binnenkomt, drastisch gedaald , tot nu nog maar ca. 10 % van het niveau van de jaren 1960 en 1970. De laatste twee jaar is de intrek zelfs nog maar ca. 2 %! Aan deze daling lijkt dan ook nog geen eind gekomen. In de Britse Eilanden lijkt de daling wat minder sterk te zijn, en in Scandinavië is het misschien wat eerder begonnen. Vanaf 1965 is ook de opbrengst van de visserij gestaag gedaald, van ca. 50,000 naar rond de 20,000 ton. Deze daling heeft zich in heel Europa voorgedaan, maar is in Noord Europa wellicht deels gecompenseerd (en gemaskeerd) door omvangrijke uitzettingen van glasaal uit Zuid Europa. Deze uitzettingen zijn momenteel tot een minimale omvang gereduceerd. Sinds 1980 is er een omvangrijke kwekerij van aal op gang gekomen, waarbij in het wild gevangen glasaal in korte tijd (1-2 jaar) opgekweekt wordt. De omvang van deze aquacultuur evenaart de visserij. Ongeveer de helft hiervan vindt plaats in Oost Azië (Japan, China). In de laatste jaren begint de Europese kweek weer wat af te nemen. De Nederlandse kweek produceert ca. 4 maal zoveel als de Nederlandse visserij.

Oorzaken

De stand van de Europese aal gaat duidelijk achteruit. De intrek van glasaal is afgenomen sinds 1980, tot op 10 %, en recentelijk zelfs nog maar 2 % van het oorspronkelijke niveau. De vangst van rode en schieraal daalt al enkele decennia. Als oorzaak van deze achteruitgang zijn een aantal mogelijke verklaringen genoemd, waarvan de belangrijkste zijn: vervuiling, verlies van opgroeigebied als gevolg van dammen en stuwen, toegenomen predatie door aalscholvers, klimaatsverandering in de oceaan, overbevissing en door de mens geïntroduceerde ziektes en parasieten. Hieronder zal ingegaan worden op de ontwikkeling in de verschillende factoren, en de mogelijke overeenkomst of afwijking ten opzichte van de achteruitgang van de aal.

Klimaat

De glasaal die in het voorjaar in onze rivieren naar binnen trekt, heeft al een flinke wereldreis achter de rug: naar ons beste weten zijn ze afkomstig uit de Sargassozee (een zeegebied groter dan Europa), op een afstand van 3000-7000 km. Daarvandaan brengt de Warme Golfstroom ze naar Europa; dit neemt waarschijnlijk meer dan een jaar in beslag. Een kleine verandering in de Golfstroom zou wellicht een geweldige invloed kunnen hebben op het aantal dieren dat deze lange tocht overleeft. Nu is het probleem dat de Oceaan zo groot is, dat we er eigenlijk maar heel weinig van af weten. Gedetailleerde metingen van stromingen, temperaturen, voedselbeschikbaarheid, etc. zijn simpelweg niet voldoende aanwezig. Wel is er een index van de luchtdrukverdeling boven de Oceaan , waarvan men aanneemt dat die indicatief is voor de sterkte van de Golfstroom. In deze index wordt de luchtdruk boven de Azoren vergeleken met die boven IJsland. In de jaren 1980 nam de luchtdruk bij IJsland relatief af, min of meer gelijk opgaand met de afname van de glasaal. Begin jaren 1990 werd voor beiden een minimum bereikt, waarna midden jaren 1990 een licht herstel intrad. Daarna is de hoeveelheid glasaal echter dramatisch gedaald, terwijl de luchtdrukverdeling juist op normale waarden uitkwam. Er is nog een tweede aanwijzing voor een effect van het Oceaan -klimaat: de glasaal die bij ons binnentrekt, brengt in zijn lichaam als het ware een verslag van zijn reis op de oceaan met zich mee. Juist in de jaren dat er het minste glasaal binnentrok (1991), bleek de gemiddelde lengte (gemeten in Den Oever) ook aanzienlijk kleiner geworden dan in de voorafgaande decennia. Het lijkt aannemelijk te veronderstellen dat de glasaal klein bleef, omdat ze onvoldoende voedsel vonden in de Oceaan. En dat zou dan goed overeenkomen met een verandering in de stroming en de klimaatindex. Midden jaren 1990 is de luchtdrukverdeling weer naar gemiddelde waarden teruggekeerd en namen tegelijkertijd ook het aantal en de lengte van de glasaal normalere waarden aan. Maar rond 2000 is dat verband niet meer aanwezig: de lijn van het klimaat en van de glasaallengte gaan samen omhoog, maar het aantal glasalen daalt naar een absoluut dieptepunt. De relatie tussen glasaallengte en klimaat lijkt wel te blijven bestaan, maar het opgetreden herstel van het klimaat levert nu niet meer glasaal op.

Polders en dammen

Half Nederland ligt beneden de waterspiegel. Grote delen van de laaggelegen gebieden hebben oorspronkelijk deel uitgemaakt van het woongebied van de aal. Afdammen, inpolderen, droogmalen hebben dus allemaal invloed gehad op de aalstand en zullen de opgroeimogelijkheden verkleind hebben. De vraag rijst dan, of de afname van de aalstand soms het gevolg is van onze waterbouwkundige werken. Voor het IJsselmeer zijn er vrij nauwkeurige gegevens bekend. Was de Zuiderzee nog ca. 3600 km2 groot, het IJsselmeer is geleidelijk verkleind tot ca. 1850 km2. Hoewel deze cijfers een onjuiste indruk geven dat het effect van inpolderingen exact kan worden ingeschat, wordt toch wel duidelijk dat de achteruitgang van de aalvangst (van 4000 naar 400 ton in 50 jaar) wezenlijk groter is geweest dan verklaard kan worden uit de halvering van het oppervlak. Onduidelijk is, hoe groot de invloed van de Afsluitdijk, en later de Houtribdijk, op het achterliggende water is, en welke rol het bovengelegen stroomgebied van de IJssel (en kleinere rivieren) kan hebben gespeeld.

Aalscholvers

Aalscholvers hebben de naam bovenal aal te eten. Voor het IJsselmeer is dat niet het geval. Analyse van hun dieet toont aan dat minder dan 1 % van hun voedsel uit aal bestaat; dat is maar ca. 18 ton per jaar. Dat kan daarom nauwelijks de oorzaak zijn van de grote achteruitgang van de aal. Waarschijnlijk eten aalscholvers buiten het IJsselmeer meer aal. Vergelijking van de toename van het aantal aalscholvers met de daling in de aal maakt echter duidelijk, dat de aalscholvers pas echt op het toneel verschenen, toen het grootste deel van de aal al was verdwenen.

Visserij

Is de visserij oorzaak van de achteruitgang van de aal? Dat is een moeilijk probleem. Hierboven is een hoge aalvangst in 1950  gelezen als een teken dat er veel aal aanwezig was. Tegelijkertijd zal een hoge vangst juist ook een oorzaak kunnen zijn van een sterke achteruitgang in het bestand. Wel is duidelijk, dat de achteruitgang van de vangsten gepaard is gegaan met een afname van het aantal bedrijven op het IJsselmeer,  maar dat de visserij inspanning daarmee geenszins gelijke tred heeft gehouden. In de periode 1970-1985,

Parasieten

In 1985 werd een Australische zwemblaasparasiet in Nederland ingevoerd in een transport van levende aal. Nog hetzelfde jaar was nagenoeg alle aal geïnfecteerd en werden ook dode of beschadigde alen aangetroffen. Nederland was een van de eerst geïnfecteerde landen. In de daarop volgende jaren is de infectie bij ons weer wat afgezakt en was er ook geen schade meer zichtbaar. Geen directe schade althans, want niemand weet of een schieraal met een verziekte zwemblaas de lange weg terug door de Oceaan wel kan volbrengen. Wel is duidelijk dat de daling van de glasaalintrek al begonnen was voor de parasiet goed en wel door heel Europa verspreid was.

Vervuiling

Ook voor de vervuiling geldt, net als voor de zwemblaasparasieten, dat het mogelijke effect waarschijnlijk optreedt in een levensstadium dat we niet direct kennen: tijdens de schieraaltrek in de Oceaan en bij de rijping van de geslachtsorganen. Een bijkomend probleem is dat metingen van cruciale componenten van de vervuiling  pas op gang zijn gekomen (1978), toen de ergste vervuiling eigenlijk al over zijn hoogtepunt (1970) heen was. Het lijkt waarschijnlijk dat de vervuiling geleidelijk is opgebouwd in de periode 1950-1970. Dat is exact de periode waarin de glasaal talrijk aanwezig was, maar de vangst van rode aal wel afnam. Het is wel heel raar, dat het voor vervuiling gevoelige levensstadium (de voortplanting) succesvol bleef, terwijl de aantallen in het minder gevoelige stadium (groei) juist achteruitgingen.

En wat is de oorzaak nu?

Wat de oorzaak uiteindelijk was, komen we misschien wel nooit te weten. Voor elk van de geopperde hypotheses is wel wat te zeggen, maar geen enkele simpele verklaring past precies. Omgekeerd kunnen we ook geen van de hypotheses echt uitsluiten. Elk van de genoemde factoren zal zeker een rol gespeeld hebben. Het is daarom het meest waarschijnlijk dat de samenloop van omstandigheden geleid heeft tot de achteruitgang in de aalstand. Inpoldering, visserij en vervuiling hebben allemaal geleidelijk hun tol. Toen daar vervolgens ook nog eens aalscholvers, parasieten en een tijdelijk ongunstig klimaat bijkwamen, was de strijd definitief beslecht. Nauwkeuriger beschouwing van de trends in glasaal en rode aal  geeft nog een belangrijke aanwijzing:

Consequenties

Voorzorgsbeginsel

De stand van de aal gaat achteruit. In het wetenschappelijke advies van de Internationale Raad voor het Zeeonderzoek (ICES) is dan ook vastgesteld dat de stand zich niet meer binnen veilige biologische grenzen bevindt, en dat de visserij in de huidige omstandigheden niet duurzaam zal kunnen worden uitgevoerd. Op verschillende vlakken (visserij, habitat verlies, vervuiling en introductie van parasieten) heeft de mens een negatieve invloed gehad op de stand. Alle informatie wijst erop dat we voorlopig op een dieptepunt zijn aangekomen. Daarom luidt het wetenschappelijk advies, zo spoedig mogelijk een herstelplan voor de aal op te stellen. Dat zal een complex proces worden: heel Europa moet daarbij betrokken worden, het gaat om zeer kleinschalige visserijen, met grote regionale verschillen en belangentegenstellingen en bovenal grote wetenschappelijke onzekerheden. Hoewel dit niet de plaats is om uitgebreid op de details van zo'n plan in te gaan, kan nadere beschouwing van een aantal uitgangspunten de discussie wellicht verhelderen. In de afgelopen jaren is internationaal hard gewerkt aan een samenhangend stelsel van politieke doelstellingen en richtlijnen, die bekend zijn geworden onder de naam: Voorzorgsbeginsel. Deze benadering is enerzijds gebaseerd op het Verdrag over het Zeerecht (1983), anderzijds op de Milieu Conferentie in Rio de Janeiro in 1993. Kern van de zaak is dat er verantwoord dient te worden omgesprongen met natuurlijke hulpbronnen, dat exploitatie slechts toelaatbaar is als duidelijk is dat er geen (blijvende) schade wordt toegebracht. Deze politieke uitgangspunten zijn vervolgens in technische zin uitgewerkt tot praktische regels, die nu standaard door de ICES worden toegepast. Aangenomen wordt, dat er in het algemeen (voor alle vissoorten) een verband bestaat tussen de grootte van de paaistand en de hoeveelheid nakroost. Meestal is de situatie, dat er een minimale paaistand nodig is om voldoende nageslacht te kunnen produceren. Een grotere paaistand resulteert niet in nog veel meer jongen, maar een kleinere paaistand leidt wel tot een aanzienlijke daling. Het heikele punt is dan, vast te stellen bij welke paaistand dit minimum ligt, bij welke paaistand een vermindering gevolgen gaat krijgen voor het nageslacht. Als dat minimum bekend is (of een voorlopige schatting ervan politiek overeengekomen is), kunnen vervolgens beheersmaatregelen gekozen worden, die ervoor zorgen dat de paaistand boven dat minimum blijft. Het Voorzorgsbeginsel stelt nu, dat ook voor de aal een dergelijk verband tussen paaistand en nakroost moet worden aangenomen, tenzij het tegendeel bewezen is. Daaruit volgt, dat een herstelplan er in ieder geval ook op gericht moet zijn, een voldoende grote paaistand te behouden.

De zorg om de paaistand.

Maar de aal zou de aal niet zijn, als alles hiermee opgelost kon worden. Paaistand en nakroost moeten alle twee gezocht worden op een onbekende plaats in de Oceaan. Daar schieten we dus niet erg veel mee op. Voor beiden kan er wel een benadering gevonden worden. Het geproduceerde nageslacht komt tenslotte als glasaal aan onze kust. In heel Europa is een zelfde daling in de glasaalintrek vastgesteld. Kennelijk zijn de waarnemingen maatgevend voor een gemeenschappelijk proces ver weg op de Oceaan, wellicht op de paaiplaats. De paaistand is veel moeilijker vast te stellen. Van ontsnappende schieraal is erg weinig bekend. Waarschijnlijk houdt de hoeveelheid ontsnappende schieraal wel gelijke tred met de aalvangst in de binnenwateren. Als er veel aal is kan de visserij veel vangen, maar zal er ook veel schieraal ontsnappen. Hoewel niet ideaal, zal het verband tussen paaistand en nakroost toch wel redelijk benaderd kunnen worden door aalvangst en glasaalintrek. En dat verband suggereert, dat er ook bij de aal wel degelijk sprake is van een relatie: de geleidelijke afname van het (paai)-bestand in de jaren 1920-1960 had weinig effect op de glasaal, maar toen vervolgens in de periode 1960-1990 de afname steeds verder ging, werd rond 1980 het minimum gepasseerd, en stortte de glasaal plotseling in. In deze optiek was het effect van bijvoorbeeld de klimaatsverandering op de oceaan de druppel die de emmer deed overlopen, maar niet de oorzaak van de achteruitgang. De instorting van de glasaal was onvermijdelijk, omdat de stand in de continentale opgroeigebieden gestaag terugliep. De teruggang in de glasaal is hier nu geschetst als het gevolg, en niet de oorzaak van de afname van het aalbestand in continentale wateren. Dit idee is betrekkelijk nieuw en nogal speculatief, en behoeft daarom duidelijk nog verdere onderbouwing. Maar de vraag is, of er al consequenties getrokken kunnen worden. Moet het beheer van de aal zich richten op het herstel van de paaistand, op het herstel van de schieraal? Moet het roer om, vanwege een onbewezen stelling? Het Voorzorgsbeginsel maakt een onverbiddelijke keuze: neem het zekere voor het onzekere, spaar de paaistand. Zorg ervoor dat de visserij niet meer dan een redelijk deel van het bestand vangt; zorg ervoor dat dammen en sluizen geen onoverkomelijke barrière vormen voor de migratie. Wat is redelijk? Waar moeten we naar streven? Gegevens voor de aal ontbreken of geven slechts een indicatie, of een afgeleid beeld. Daarom is het wetenschappelijk advies opnieuw gebaseerd op het voorzorgsbeginsel. Voor vele andere vissoorten kan de paaistand verkleind worden tot op ca. 30 % van de oorspronkelijk onbeviste situatie, zonder dat dit nadelige gevolgen heeft voor de aanwas van jonge vis. Voor de aal ontbreekt de kennis om een specifieke berekening te maken. Dezelfde norm van 30 % zou verkozen kunnen worden, maar gezien de grote onzekerheden wordt een hoger getal (van bijvoorbeeld 50 %) aanbevolen.

Remedies

De aalstand gaat hard achteruit. Dit zou mede het gevolg kunnen zijn van menselijk handelen, waardoor de paaistand momenteel te klein zou zijn. Maatregelen gericht op het herstel van de paaistand zijn aanbevolen; in de praktijk zal ernaar gestreefd moeten worden de vrije uittrek van schieraal op tenminste 30 % van de natuurlijke toestand te verzekeren. Voor de verschillende sectoren werkt dat verschillend uit.

Glasaalvisserij en aquacultuur

De kweek van aal maakt, net als de visserij, gebruik van het natuurlijke bestand. De Nederlandse visserij vist op Nederlandse aal, maar de Nederlandse kweek maakt gebruik van glasaal uit Zuid -Europese wateren. Hoewel dat, naar beste weten, dezelfde aalpopulatie is, zijn de beheersproblemen daar toch anders dan in onze wateren. De hoeveelheid glasaal die in zuidelijke wateren binnentrekt, is bijzonder groot. Voor de Vilaine (de grootste rivier van Bretagne) is berekend, dat in de jaren 1970 meer dan 15 kg glasaal per hectare wateroppervlak de rivier binnenkwam. Ter vergelijking: in noordelijk Europa wordt meestal 0.1 kg/ha uitgezet, of in uitzonderlijke gevallen maximaal 0.5 kg/ha. Die 15 kg in de Vilaine zal dus zeker niet allemaal hebben kunnen overleven, maar kort na de intrek door voedsel - en ruimtegebrek zijn overleden. Daarom kon de glasaalvisserij min of meer ongestraft een deel van de intrek oogsten. Kon, want er komt natuurlijk een moment dat er zo weinig glasaal binnenkomt, dat alles wel een plaatsje in de rivier vinden kan (in 2001 trok nog 0.58 kg/ha binnen). Voorlopig wordt de natuurlijke productie van schieraal in deze wateren veel meer bepaald door de beschikbaarheid van binnenwater. Hoe groter de (bereikbare) rivier, hoe meer glasaal zich kan vestigen. Beheer moet er daarom op gericht zijn een deel van de glasaal te laten ontsnappen aan de visserij (dat was tot voor kort in de Vilaine niet zo), en de opgroeigebieden te herstellen en bereikbaar te maken (dat was in de Vilaine ook niet het geval). Is dat een verantwoordelijkheid van de zuidelijke landen, of ook van de noordelijke aquacultuur?

Rode aal en visserij

Van de visserijen op rode aal in ons land, weten we het meest van het IJsselmeer, omdat de Overheid hierin mede verantwoordelijk is voor het beheer. Tegelijkertijd weten we ook dat het IJsselmeer extreem overbevist is, hetgeen in andere binnenwateren veel minder het geval lijkt te zijn. Nu blijkt het effect van de IJsselmeervisserij heel goed in lijn te liggen met de weinige analyses die in het buitenland van de rode aal -visserij zijn gemaakt. Het inzicht verworven uit de IJsselmeervisserij is zo gek nog niet, en zodra er meer gegevens van daarbuiten bekend worden, kan een aanvulling plaatsvinden. In een figuur is het verband geschetst tussen de visserijintensiteit (horizontaal, in procenten van de huidige IJsselmeervisserij) en de opbrengst van rode en schieraal (in gram per binnengetrokken glasaal). Voor de schieraal is hierbij in het midden gelaten of deze gevangen wordt of naar de paaiplaats doortrekt. Het zal niet verwonderen dat de hoogste productie van schieraal bereikt wordt, als de rode aalvisserij zo ver mogelijk beperkt wordt. Het pleidooi van visserijbiologen om de visserij in plaats van op rode, vooral op schieraal te richten behoort wel tot de klassiekers. Inmiddels staat de bescherming van de paaistand voorop. Behoud van 30 % van de schieraal vereist een beperking van de IJsselmeervisserij tot 20 % van de huidige rode aalvisserij. Een ferme beperking van de IJsselmeervisserij zal niet alleen de paaistand ten goede komen, maar ook de visserij! En buiten het IJsselmeer? Een maximale vangst wordt verkregen bij een visserij intensiteit van 30 - 50%, maar dat heeft wel een reductie van de schieraal tot gevolg tot 2½ - 15 %. Dat is beneden de minimum norm van

Schieraal en visserij

Nog niet zo heel erg lang geleden gold ontsnappende schieraal als puur verlies. Gepoogd werd het beheer van spuisluizen aan te passen, zodat wegtrekkende schieraal voor de visserij behouden bleef. De wettelijke minimummaat op de aal bedraagt in Nederland 28 cm. Binnen Europa is dit een uitzonderlijk kleine lengte. De redenering was echter, dat een hogere maat zou betekenen dat de mannetjes schier zouden worden (vanaf ca. 32 cm lengte), en naar zee zouden kunnen ontsnappen. Alles liever dan dat, dus vingen we ze een jaar tevoren, vanaf 28 cm lengte. Maar de tijden veranderen en behoud van voldoende paaistand is nu prioriteit nummer één. Ogenschijnlijk staan schieraalvisserij en behoud van de paaistand lijnrecht tegenover elkaar. Elke gevangen schieraal is er eentje minder voor de paaistand. Daar staat tegenover, dat de schieraalvisserij een hogere opbrengst geeft dan de rode aal visserij, en visserijbeperkingen daarom beter op de rode aal gericht kunnen zijn. Op het IJsselmeer zou de hele schieraalvisserij gesloten kunnen worden, zonder dat de schieraaltrek noemenswaard zou toenemen. Anderzijds kan een efficiënte schieraalvisserij het effect van voorafgaande beheersmaatregelen volledig ongedaan maken. Hoe efficiënt is de schieraalvisserij? Uit het buitenland zijn een aantal tegenstrijdige cijfers bekend. In de Oostzee is uit merkproeven gebleken dat 50-70 % van de schieraal gevangen wordt. In Ierland zijn in de rivier de Bann twee onder elkaar gelegen dichtzetten aanwezig (netten die de gehele rivier afsluiten), waarvan de onderste dikwijls hogere vangsten maakt als de bovenste. Dan moet de bovenste kennelijk heel wat schieraal hebben doorgelaten! Voor Nederland zijn nog geen cijfers bekend. In de Maas lopen op dit moment proeven met zenders in de buik van dikke schieralen, waaraan ook de visserij een bijdrage levert.

Herstel van leefgebied

Volledig herstel van de oude situatie, waarbij half Nederland onder de waterspiegel lag, is misschien niet erg realistisch. Anderzijds is er in Nederland vrijwel geen enkel water meer zondermeer toegankelijk voor de aal, dus zonder enige maatregel ziet het er in ons land bijzonder slecht uit voor de aal. Er zal een balans gevonden moeten worden tussen wensen en mogelijkheden. In het meest recente wetenschappelijke advies over de aal wordt voorgesteld een stapsgewijze benadering te kiezen. Het beginpunt is makkelijk te realiseren, maar wellicht niet genoeg; het eindpunt is ideaal, maar niet erg realistisch. De eerste stap behelst verbetering van het beheer in de thans bestaande wateren; de tweede de installatie van vistrappen of aalgoten, of desgewenst de uitzet van glasaal boven stuwen of gemalen; in de derde stap wordt een zodanig herstel van leefgebied nagestreefd, dat alle binnentrekkende glasaal een plaatsje vinden kan; de vierde stap richt zich op herstel van een nog betrekkelijk kort geleden verloren gegane, historische situatie; terwijl uiteindelijk in stap vijf een volledig natuurlijke situatie wordt nagestreefd. Tot welke stap dit pad gevolgd moet worden, is een kwestie van overleg. Maar elke stap voorwaarts brengt het herstel van de leefgebieden weer verder in de goede richting.

Conclusies

De aalstand in heel Europa maakt een langdurige achteruitgang mee, sinds 1965 (rode en schieraal) resp. 1980 (glasaal). Als mogelijke oorzaken zijn ondermeer genoemd: vervuiling, verlies van opgroeigebied als gevolg van dammen en stuwen, toegenomen predatie door aalscholvers, klimaatsverandering in de oceaan, overbevissing en door de mens geïntroduceerde ziektes en parasieten. Hoewel de oorzaak van de achteruitgang niet echt bekend is, lijkt het aannemelijk dat het merendeel van de genoemde factoren wel een rol gespeeld heeft. Niet alle problemen lenen zich om door beheersmaatregelen op korte termijn te kunnen worden aangepakt (b.v. klimaat) Eerste prioriteit is daarom het behoud van een voldoende grote paaistand veilig te stellen, d.w.z voldoende schieraal uit onze wateren terug te laten keren. Dit vergt landelijk beheer van de aalvisserij, in combinatie met het herstel van leefgebieden. De streefbeelden hiervoor zijn in grote lijnen duidelijk. We kunnen aan de slag!

 
 
Aquafarm-Putten . . . . ( November 2011 )